‘We hebben de EU nodig’

Dierenarts en voormalig Tweede Kamerlid Henk Jan Ormel: ‘Ziekten kennen geen grenzen’

Hij was negentien jaar praktiserend dierenarts, tien jaar Tweede Kamerlid en zeven jaar in dienst bij de voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO). Nu stelt Henk Jan Ormel zich kandidaat voor het Europees Parlement. “Voor een klein land als Nederland is samenwerking en kennisuitwisseling noodzakelijk.”

Tekst: Martijn Reinink  Beeld: privéfoto’s 
Henk Jan Ormel is door het CDA op nummer 6 van de kieslijst geplaatst. De verkiezingen voor het Europees Parlement zijn op 23 mei 2019

Het is 2001 als in Nederland mond-en klauwzeer uitbreekt. Het gaat Henk Jan Ormel, dierenarts met een praktijk in de Achterhoek, aan het hart dat door het non-vaccinatiebeleid op grote schaal gezonde runderen, geiten, schapen en varkens worden geruimd. In reactie daarop besluit hij zich kandidaat te stellen voor de Tweede Kamerverkiezingen, namens het CDA, de partij die in zijn ogen het meest opkomt voor de boeren. In 2002 wordt Ormel de eerste dierenarts in de Tweede Kamer na de Tweede Wereldoorlog; in de jaren dertig zat er ook een dierenarts in de Kamer.

Terugkijkend op de stap van practicus naar politicus spreekt Henk Jan Ormel (63) van een ‘cultuurschok’. “Als ik ’s nachts naar een boer reed, omdat er een koe moest afkalven, dan wist ik dat ik pas weg kon als het kalf uit de koe was. In het parlement duurt het soms jaren voordat het kalf uit de koe is. Dat was wennen, maar begrijpelijk. Politiek is compromissen sluiten, dat kost tijd en gaat soms stroperig.” Tijdens zijn Kamerlidmaatschap voert Ormel het woord over diergezondheid en dierenwelzijn, maar ook over Europa, biotechnologie en medisch-ethische kwesties, zoals orgaandonatie en euthanasie. Ook is hij voorzitter van de Kamercommissie buitenlandse zaken. 

Vanwege zijn achtergrond als dierenarts en zijn politieke ervaring krijgt Ormel in 2011 de vraag of hij oren heeft naar een functie bij de Food and Agriculture Organization (FAO) van de Verenigde Naties. Dat heeft hij wel, maar hij wil niet tussentijds weg uit de Kamer. “Ik vind dat je dat niet kan maken als je verkozen bent.” Als een jaar later het kabinet-Rutte I valt, gaat Ormel alsnog op het aanbod in. “De dag nadat ik was afgezwaaid als Kamerlid, ben ik begonnen bij de FAO als adviseur veterinaire zaken.”

De hele wereld over

Het hoofdkwartier van de FAO zit in Rome, wat betekent dat Ormel met vrouw en hond emigreert naar de Italiaanse hoofdstad. Van daaruit reist hij voor zijn werkgever de hele wereld over. Zo vertegenwoordigt hij de FAO in de Global Health Security Agenda (GHSA), een initiatief van zeventig landen die de wereld veilig willen stellen voor de dreiging van infectieziekten. Deze wereldgezondheidsagenda is opgericht na de Ebola-uitbraak, toen bleek dat verscheidene landen niet voldeden aan de International Health Regulations (IHR). “Omdat veel infectieziekten zoönosen zijn, ben ik namens de veterinaire sector betrokken bij de GHSA”, zegt Ormel, die ook deel uitmaakt van een van de expertgroepen die landen bezoeken om te kijken of het land voldoet aan de IHR. “Zo’n visitatie duurt een week. We praten met besluitvormers en kijken naar grensbewaking en quarantainemogelijkheden, naar hoe ziekenhuizen zijn ingericht en hoe de samenwerking met de veterinaire dienst verloopt. In landen waar ze het niet goed voor elkaar hebben, zie je doorgaans dat het ontbreekt aan een sterke overheid die regels kan implementeren en dat de veterinaire en humane kolom gescheiden werelden zijn.”

‘Ziekten kennen geen grenzen, innovaties evenmin’

Nederland krijgt dit jaar een expertgroep van de GHSA op bezoek, maar Ormel durft wel een schot voor de boeg te nemen. “Nederland is een voorbeeldland. We produceren op een duurzame manier voedsel, met aandacht voor dierenwelzijn, milieu en volksgezondheidsrisico’s.” En ook als het gaat om de samenwerking tussen humane en veterinaire geneeskunde, staat Nederland er goed op. Al valt er nog wel wat te winnen. “Het belang van One Health wordt erkend. De humane en veterinaire kolom weten elkaar in de praktijk ook te vinden. Er is veel geleerd van de Q-koorts-uitbraak in 2007, maar ik zou graag zien dat One Health een vast onderdeel in de curricula van de geneeskunde- en diergeneeskundeopleiding wordt; dat studenten deels samen onderwijs gaan volgen. In de veterinaire opleiding zie je een doorgaande specialisatie, waardoor diersoortoverstijgende kennis over infectieziekten afneemt. In de geneeskundeopleiding is er helemaal weinig aandacht voor infectieziekten. Vanuit de Nederlandse situatie is dat wel begrijpelijk, maar op wereldniveau is het een heel ander verhaal. En een infectieziekte die vandaag aan de andere kant van de wereld uitbreekt, kan morgen in Nederland zijn.” 

Namens de FAO coördineert Ormel de One Health-samenwerking in de zogenaamde Tripartite, waarin de FAO samenwerkt met de World Health Organization (WHO) en de World Organisation for Animal Health (OIE). “Recent hebben we ons bijvoorbeeld ten doel gesteld om de sterfte door rabiës terug te dringen naar nul in 2030. Het is een van de vergeten zoönosen: in het Westen komt het niet voor, maar wereldwijd sterven er jaarlijks nog 50.000 tot 60.000 mensen aan hondsdolheid. Wil je dit soort ziekten bestrijden, dan moet je ze bij de bron én gezamenlijk aanpakken. Daarvoor heb je multilaterale organisaties nodig.”

Geen grenzen

In zijn huidige werk ervaart Ormel naar eigen zeggen dagelijks het belang van samenwerking over grenzen heen. “Ziekten kennen geen grenzen, innovaties evenmin. Voor een klein land als Nederland is samenwerking en kennisuitwisseling noodzakelijk. Maar als ik sommige politieke partijen in Nederland hoor, dan is niet iedereen daarvan doordrongen. De polariserende manier waarop er over de EU wordt gesproken, baart me best wel zorgen. Nederland is een klein land. Om Nederland Nederland te laten blijven, hebben we de Europese Unie juist nodig. Moeten we verder bouwen aan een sterk Europa. Daar wil ik me voor inzetten.”