Dierenartsen: zorgen over zoönosen

Dierenartsen achten de kans op een uitbraak van een ziekte die van dier op mens overdraagbaar is zeer reëel. De samenwerking tussen humane artsen en dierenartsen om dergelijke ziektes te bestrijden, komt echter onvoldoende van de grond. Ruim 80 procent van de dierenartsen vindt dat humane artsen en dierenartsen niet goed op elkaar zijn ingespeeld, zo blijkt uit onderzoek van  VvAA.

Van alle nieuwe infecties bij mensen, is driekwart van dieren afkomstig. Bekende voorbeelden van zoönosen – ziekten die van dier op mens worden overgedragen – zijn Q-koorts, vogelgriep en hondsdolheid. Vier jaar na de uitbraak van Q-koorts zegt 81 procent van de dierenartsen dat beide groepen artsen bij een uitbraak niet goed samenwerken. Het zijn vooral dierenartsen die zich zorgen maken over een eventuele uitbraak: 76 procent is het oneens met de stelling dat de kans op een uitbraak in Nederland beperkt is. Van de humane artsen is dat iets minder dan de helft. Van de dierenartsen pleit 83 procent voor betere samenwerking tussen beide groepen artsen.

“We hebben veel lessen geleerd uit het verleden”, zegt prof. dr. Ludo Hellebrekers, voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde (KNMvD). “Maar de ontwikkelingen om zoönosen effectief aan te pakken, gaan nog langzaam. Het overkoepelende belang voor mens, dier en ecosysteem van een gezamenlijke aanpak, de zogenaamde one health-aanpak, is groot. Daarom pleiten we voor samenwerkingsprotocollen waarin wordt opgenomen hoe te handelen bij een uitbraak. Ook moet er meer aandacht komen voor het herkennen van symptomen. Uit ervaring weten we dat dierenartsen een zoönose bij een persoon sneller herkennen dan humane artsen. Hopelijk spreken we op korte termijn niet meer over diergezondheid en volksgezondheid, maar over one health.”

One health
One health is volgens artsen de sleutel om zoönosen het hoofd te bieden. Deze aanpak is vooral volgens dierenartsen over vijf jaar niet meer weg te denken. Er is geleerd van de verschillende zoönosen uitbraken, zoals de Q-koorts. Toch zijn humane artsen terughoudender in de one health-beleving, waarschijnlijk omdat zij vooralsnog minder vaak met zoönosen worden geconfronteerd. Tweederde van dierenartsen denkt bovendien dat een one health-benadering een kostenvoordeel voor de gezondheidszorg met zich meebrengt. Een uitbraak van zoönosen heeft namelijk niet alleen gevolgen voor de volksgezondheid; er zijn ook economische belangen mee gemoeid. Zowel voor de getroffen diereigenaren als voor de gezondheidszorg.

Debat
Naar aanleiding van het rapport organiseert VvAA op donderdag 4 oktober het debat ‘Twee werelden one health’. Deskundigen zoals Roel Coetinho (hoogleraar epidemiologie en preventie van infectieziekten), Ron Fouchier (hoogleraar virologie), Ludo Hellebrekers (voorzitter KNMvD) en Toon van Hoof (bestuurder LTO Nederland) gaan met elkaar in gesprek. Het debat wordt op maandag 8 oktober uitgezonden op BNR Nieuwsradio.

Barometer
Het onderzoek naar one health is uitgevoerd door Quint Result, in opdracht van VvAA. Aan het onderzoek hebben 1472 zorgprofessionals meegedaan, waarvan 608 dierenartsen, 556 eerstelijns zorgverleners en 308 tweedelijns zorgverleners. Het thema one health is ingegeven door het 150-jarige bestaan van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde (KNMvD). VvAA doet drie keer per jaar onderzoek naar de kwaliteit en toegankelijkheid van de gezondheidszorg in Nederland. Onderdeel van het onderzoek is een basisvragenlijst. Ten opzichte van het vorige onderzoek (voorjaar 2012) zijn zorgverleners positiever over de toekomst van de kwaliteit van de gezondheidszorg.