Collega op het spreekuur

Vroeg of laat komt iedere zorgprofessional een keer bij de dokter. Het bezoek aan het spreekuur kan echter uitmonden in een wandeling door een mijnenveld, zowel voor de patiënt als voor de behandelaar. “Zorgprofessionals zijn allesbehalve voorbeeldige patiënten.”

Tekst: Naomi van Esschoten | Beeld: Tamar Smit

Zodra een zieke collega de spreekkamer binnenstapt, zijn we snel geneigd ons anders dan normaal te gedragen. Met het risico dat de situatie ontspoort: van een suboptimale behandeling tot soms zelfs een tuchtklacht”, vertelt Hans Rode (49). De psychiater en coach, verbonden aan het Catharina Ziekenhuis in Eindhoven, deed veel ervaring op als behandelaar van collega’s met een verslavingsstoornis en/of een andere psychiatrische aandoening. Recentelijk verscheen zijn boek Het is maar werk, over hoe artsen zich kunnen beschermen tegen burn-out. Daarin wijdt hij ook een hoofdstuk aan wanneer een zorgverlener zelf een dokter nodig heeft én hoe de behandelaar zich het beste kan opstellen. “Want zorgprofessionals zijn allesbehalve voorbeeldige patiënten.”

Een eerste valkuil noemt Rode dat de voorkennis zich tegen de zorgverlener-patiënt kan keren. “Meer kennis lijkt een voordeel, maar is niet altijd van praktisch nut”, legt Rode uit. “Soms overschat de patiënt hierdoor het gevaar en kan een onschuldige kwaal in verbeelding uitgroeien tot een levensgevaarlijke ziekte waarvoor alles uit de kast gehaald moet worden. Andersom kunnen patiënten de ernst van symptomen ontkennen. Zo ben ik zelf gewoon gaan bergbeklimmen terwijl ik pijnklachten had. Ik dacht aan een blessure, maar het bleek een gemiste heupdysplasie. Kortom: het blijkt lastig je eigen klachten objectief in te schatten.”

De oorzaak hiervan ligt erin dat artsen in de geneeskundeopleiding worden gemarineerd in twee dogma’s, schetst Rode: de patiënt gaat vóór alles en artsen mogen geen zwakte tonen. “Artsen ontkennen hun klachten daarom vaak. Vanwege hun opleiding en omdat ze geen gedoe willen met collega’s, de arbeidsongeschiktheidsverzekering of hun BIG-registratie. Ook schaamte kan een rol spelen. Bijvoorbeeld door stigmatisering, zoals bij verslaving, angststoornissen of psychose. Men vreest voor negatieve gevolgen als collega’s erachter komen. Of vanwege de angst gezien te worden als zwakkeling of degene die het team in de steek laat. Terwijl de meeste aandoeningen dezelfde prevalentie hebben onder zorgprofessionals als onder de gewone bevolking. Het kan iedereen overkomen.”

Rollen bespreken

Stapt de patiënt de spreekkamer in, dan is het cruciaal om de ongelijke rollen direct te adresseren. Rode: “De relatie verandert: een collega – soms een maat of zelfs een vriend – is opeens patiënt. Zelf uit ik begrip voor de lastige situatie, want zorgprofessionals ervaren vaak een flinke drempel om hulp te vragen. Vervolgens benoem ik dat we ons beiden in een ongemakkelijke positie bevinden. Met de een in de rol van patiënt en de ander als arts kan dit tot lastige situaties leiden. Behandel vrienden en collega’s overigens alleen als het echt niet anders kan. Verwijs liever naar een collega. Zo voorkom je een ‘vipbehandeling’ met allerlei extra’s. Goed bedoeld, maar het leidt in de praktijk meestal tot onder- of juist overbehandeling. De stelregel is: doe wat je normaal ook doet. Laat je jouw patiënten bijvoorbeeld altijd eerst zien door de coassistent of de aios? Doe dat dan nu ook. Het belangrijkste is vooraf duidelijk te zijn over je werkwijze en waarom je daar niet van afwijkt.”

‘Een vipbehandeling leidt meestal tot onder- of overbehandeling’

Een ander belangrijk aspect is dat de behandelaar de medische kennis en het gezonde gedrag van de patiënt moet inventariseren en vervolgens moet vergroten op een niet-betuttelende manier. “Vaak neemt de behandelaar ten onrechte aan dat de patiënt voldoende medische kennis heeft. Zo denken de meeste van mijn zorgprofessional-patiënten ten onrechte dat ze nooit meer herstellen van een psychiatrische aandoening”, vertelt de psychiater. “Toets vooraf ook of de collega zichzelf behandelt. Verder vinden we het vaak lastig een collega naar meer intieme zaken te vragen, maar die informatie is wel nodig om een goede diagnose te stellen. Stap dus over die schroom heen.”

Een derde ingrediënt om veilig door het mijnenveld te komen, is het bewaken van de professionele grenzen. “Het kan gebeuren dat je goede afspraken hebt gemaakt over de behandeling, maar dat je patiënt in het volgende gesprek vertelt dat zij toch even zelf een extra labtest of echo heeft laten doen. Dan is het belangrijk terug te komen op de afspraken die je hebt gemaakt aan het begin over de ruimte voor autonomie, en de collega te vragen jullie daar beiden aan te houden. Ik zie zo’n rolvervaging als signaal om dieper in gesprek te gaan. Maakt de patiënt zich ergens zorgen over? Is hij bang dat je iets mist? Of vindt hij dat je het niet goed doet? Het helpt om dat vanuit compassie helder te krijgen en dan samen te beslissen over de vervolgstappen.”

Privileges voorkomen

Flexibiliteit binnen de behandeling is nodig, maar voorkom privileges. Rode: “Het behandelen van een collega betekent niet je rigide aan het protocol houden. Ook bij andere patiënten wijk je tenslotte weleens gemotiveerd af van een richtlijn, bijvoorbeeld omdat iemand een bijzondere wens of beperking heeft. Bespreek de overwegingen om wel of niet af te wijken en kom samen tot beleid. Verder is het van belang de afspraken duidelijk vast te leggen in het patiëntendossier.”

Soms functioneert de patiënt door ziekte of behandeling minder goed, maar heeft hij dat zelf niet door. Dan kan de behandelaar in een conflict van plichten terechtkomen: je wilt niet je medisch beroepsgeheim schenden, maar ook niet je behandelrelatie beschadigen. Psychiater Rode vindt het een gezamen­lijke verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat het herstel van de patiënt en de patiëntveiligheid niet in de knel komen. “Als de patiënt toch blijft doorwerken, kun je toestemming vragen om te overleggen met de bedrijfsarts. Die kan de arbeidsgeschiktheid het best beoordelen en ook adviseren en begeleiden bij re-integratie. Wil de patiënt dit niet, overleg dan met een collega of raadpleeg de richtlijn van de KNMG over het doorbreken van het medisch beroepsgeheim.”

Ondanks alle voorbereiding en zorgvuldigheid, eindigen behandel­relaties tussen artsen toch weleens met een klachtenprocedure of zelfs bij het medisch tuchtcollege. “Vaak heeft dit te maken met de onuitgesproken wens voor een voorkeursbehandeling of het perfectionisme van de patiënt”, vertelt Rode. “Maar mijn ervaring is dat een klachtenprocedure patiënt, zorgprofessionals en behandelrelatie schaadt. Ga liever samen om de tafel. Niet makkelijk, maar wel nuttig om het uit spreken en te achterhalen of het om een dispuut of vertrouwensbreuk gaat. Dan kun je samen verder of de behandelrelatie in goed overleg beëindigen.”

Dubbel en dwars

Het behandelen van een collega-patiënt kan meer tijd, energie en moeite kosten. “Hoe langer en complexer de behandel­relatie is, hoe groter de kans dat je op enig moment gaat zwabberen of onzekerheid de kop opsteekt. Het kan ook confronterend zijn een collega te zien lijden of worstelen. Daarom is mijn advies regelmatig collegiaal overleg of intervisie te plegen.” Overigens vindt Rode het alle extra inspanning dubbel en dwars waard. “Het is goed voor je empathisch vermogen en het zet je communicatieve vaardigheden weer op scherp. Het maakt je ook een betere arts voor je andere patiënten. Bovendien bewijs je niet alleen een zieke collega een dienst, maar ook diens patiënten en naasten.”

Tips voor behandelaren

  • Wijk niet af van richtlijnen en van het beginsel van informed consent. Volg de gewone workflow en voer dossier zoals u gewend bent dat te doen.
  • Toon compassie voor de lastige situatie waarin de collega zich bevindt.
  • Neem tijd om samen te beslissen over de behandeling.
  • Loopt u vast? Overleg met collega’s in de vak- of intervisiegroep.

Tips voor patiënten

  • Volg de werkwijze van de arts. Leg wel uit dat u zelf zorgprofessional bent en vertel waar u zich ongerust of onzeker over voelt.
  • Het is bekend dat mensen – óók wanneer zij een (para)medische achtergrond hebben – veel vergeten van wat wordt gezegd tijdens een slechtnieuwsgesprek. Neem daarom iemand mee of neem een samenvatting van het gesprek op.
  • Maak bij re-integratie gebruik van de diensten van de bedrijfsarts. Dit kan u veel zorgen en onduidelijkheden besparen.

2 Reacties Reageer zelf

  1. M. Aan de Stegge
    Geplaatst op 14 oktober 2022 om 12:20 | Permalink

    Bij een collega op het spreekuur

    Hoewel ervaringsdeskundigheid nu mijn kracht en instrument is in de praktijk, heb ik in het begin echt wel een flinke drempel moeten overstappen om patiënt te durven zijn bij een collega.
    Precies die punten die Hans Rode beschrijft, gelden omgekeerd evenzo in de situatie dat een dokter ineens als patient tegenover een collega zit. Ik mag dit zeggen want er was een tijd dat ik mijzelf volledig herken in wat ik nu ga zeggen.
    Een dokter als patiënt wil geen VIP behandeling in doktersjargon, want naast het feit dat de begeleidend partner er niets van snapt en zich buitengesloten voelt in het gesprek, is de patient zelf ziek en heeft geen zin of energie om voorkennis te hoeven hebben. En dan nog het stukje schaamte. Wij dokters zijn inderdaad gemarineerd in het niet kwetsbaar zijn en het zelf maar aanrommelen. (niet alleen bij onszelf maar helaas ook bij naasten) Dat betekent des te meer dat als een dokter zich als patiënt voorstelt aan een collega, dit een teken is dat hij zijn schaamte voorbij is en echt dringend hulp nodig heeft. Neem de klacht serieus en als de ernst niet duidelijk wordt uit het verhaal, ga van het ernstige scenario uit, want dokters zijn ook nog eens meesters in het vermommen en wegrationaliseren van klachten.
    Marlies aan de Stegge, werkzaam bij AerreA, zorg voor uitsluitend zorgprofessionals

  2. albert bokelman, ha.
    Geplaatst op 28 oktober 2022 om 13:33 | Permalink

    Beste collega,

    Sinds vele jaren kom ik bij de afdeling cardiologie
    van het Catharina Ziekenhuis te Eindhoven.
    Al meerdere bijzondere zaken meegemaakt mee gemaakt.
    Spoedopname vooreerst op eerste hulp cardiologie met overplaatsing daarna IC cardiologie.
    Anamnese afgenomen door een co-assistent en assistent niet in opleiding.
    Op ECG afwijking, passend bij een dreigend hartinfarct.
    Bij visite na twee dagen, door een “echte” cardioloog werd de diagnose bijgesteld tot digitalis effect.

    Bij laatste bezoek aan de cardioloog werd gemeld dat mijn bloeddruk prima in orde was.
    Er was echter geen bloeddruk gemeten door de cardioloog of een medewerker.
    De herhaal medicatie werd electronisch voor een jaar verstrekt.

    Tot volgend jaar dan maar weer.

Plaats een reactie

Uw e-mailadres zal nooit gepubliceerd of gedeeld worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*
*