Concurrentiebeding

Juristen en advocaten van VvAA ondersteunen leden bij uiteenlopende problemen.

Tekst: Paul Hanrath

Een anesthesioloog wil een overstap maken naar een orthopedische en sportmedische kliniek, gevestigd in hetzelfde ziekenhuis. De anesthesiologencoöperatie waarbij hij is aangesloten, beroept zich op het concurrentiebeding.

De anesthesioloog start een kort geding waarna de rechter oordeelt dat hij mag overstappen. Een van de overwegingen van de rechter is dat een anesthesioloog een ondersteunend specialist is, zonder eigen patiënten waardoor het concurrentiebeding niet van toepassing is.

Een anesthesioloog uit een ander ziekenhuis wil óók bij deze kliniek gaan werken en zijn coöperatie van anesthesiologen beroept zich ook op het concurrentiebeding. Ook deze anesthesioloog start een procedure. Zijn coöperatie heeft in de geschillenregeling bepaald dat geschillen worden voorgelegd aan het Scheidsgerecht Gezondheidszorg. Dit gerecht oordeelt dat het concurrentiebeding ruim moet worden uitgelegd. Het feit dat anesthesiologen geen eigen patiënten hebben, is hier níet doorslaggevend. De vordering van deze anesthesioloog wordt afgewezen.

Hoe kan het dat deze zaken een verschillende uitkomst hebben?

Antwoord

Paul Hanrath
Paul Hanrath is juridisch adviseur bij VvAA

Natuurlijk staat voorop dat het hier om twee verschillende zaken gaat, met elk hun eigen feiten. Niettemin is het voorlopige resultaat dat de anesthesioloog in de eerste zaak met een ‘gerust hart’ de overstap kan wagen, terwijl dat in de tweede zaak niet het geval is.

De (burgerlijke) rechter in de eerste zaak stelt om te beginnen vast dat het belang van het concurrentiebeding alleen is om ‘het zorgaanbod van de coöperatie van medisch specialisten en de zorginstelling te beschermen’. Het beding dient niet ter bescherming van een rechtstreeks eigen belang van de anesthesiologencoöperatie. Omdat het ziekenhuis niet meer zelf orthopedische zorg zal aanbieden, kan de orthopedische kliniek niet concurreren met het ziekenhuis. Tot zover begrijpelijk. Opmerkelijk is echter de overweging van de rechter dat anesthesiologie niet tot ‘het zorgaanbod’ van het ziekenhuis kan worden gerekend. Volgens de rechter is een anesthesioloog een ondersteunend specialisme en heeft een anesthesioloog in beginsel geen eigen patiënten, die hij dus ook niet kan ‘meenemen’. De slotsom van de rechter is dat de anesthesioloog niet aan het concurrentiebeding is gebonden.

Het Scheidsgerecht Gezondheidszorg hanteert een andere maatstaf dan de burgerlijke rechter

In de tweede zaak betoogt de anesthesioloog ook dat hij geen poortspecialisme uitoefent. Hierover oordeelt het Scheidsgerecht dat het ‘ongerijmd zou zijn als de aard van het medisch specialisme ertoe zou leiden dat het concurrentie- beding zo moet worden uitgelegd dat het geen reële betekenis meer heeft’.

Het Scheidsgerecht hanteert daarmee een andere maatstaf dan de rechter in de eerste zaak en legt het beding ruim uit, waardoor dit beding – anders dan in de eerste zaak – niet opzij wordt geschoven.

Het is dus niet eenduidig hoe een concurrentiebeding zal worden uitgelegd. Zaak is om bij een mogelijke verandering van werkomgeving eerst goed uit te zoeken welke consequenties het concurrentiebeding kan hebben.