Contractplicht huisarts onrechtmatig

De NZa mag de vrije artsenkeuze in de huisartsenzorg niet belemmeren en moet daarom uiterlijk begin maart een nieuwe beleidsregel opstellen. 

Tekst: Daan Marselis | Beeld: Shuttestock

Dat volgt uit een uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB). De rechter oordeelde op verzoek van VPHuisartsen, de landelijke Vereniging van Praktijkhoudende Huisartsen, over het contractvereiste dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) hanteert. Dat vereiste was volgens VPHuisartsen in strijd met de vrije artsenkeuze zoals vastgelegd in artikel 13 van de Zorgverzekeringswet. Zonder contract zouden huisartsen bepaalde zorg niet kunnen declareren. Zij zouden die zorg dan dus niet kunnen aanbieden of ze zouden dat gratis moeten doen.

Het CBB stelde VPHuisartsen begin december in het gelijk. Volgens het CBB mogen patiënten verwachten dat huisartsen alle zorg leveren die ze doorgaans leveren. En dat ze voor die prestaties een redelijk inkomen ontvangen.

Gelijkwaardiger
VPHuisartsen heeft verheugd gereageerd op de uitspraak. Die zou ertoe bijdragen dat praktijkhouders een gelijkwaardiger onderhandelingspartij worden ten opzichte van verzekeraars. Toch zullen huisartsen die een contract weigeren daar financiële gevolgen van kunnen blijven ondervinden. Afhankelijk van de aanpak die de NZa kiest, kost dat de praktijkhouder zo’n 1200 tot 5500 euro per 100.000 euro omzet, berekende VPHuisartsen.

Opvallend is dat het CBB de oplossing die de NZa had aangedragen, als onrechtmatig bestempelt. De NZa had voorgesteld dat huisartsen zonder contract de contractplichtige prestaties altijd nog als een dubbel consult of met een visitetarief kunnen declareren. Volgens het CBB is die oplossing in strijd met de Wet markt-ordening gezondheidszorg. Die verbiedt om prestaties onder een andere noemer te declareren. Edwin Brugman, directeur Kennismanagement en Netwerken bij VvAA, reageert: “Met de uitspraak wordt recht gedaan aan het principe van artikel 13. Het is nu de vraag of de NZa haar verantwoordelijkheid neemt en met de gedupeerden gaat overleggen over de ontstane schade.”