Gedragsregels en tuchtrecht

Juristen en advocaten van VvAA ondersteunen leden bij uiteenlopende problemen.

Tekst: Shirin Slabbers

Een opmerking via Twitter over een programma op de televisie, waarin artsen een oordeel of een uitleg geven, is zo gemaakt. Zonder grensoverschrijdende bedoelingen kan spontaan digitale communicatie met een (al dan niet voormalige) patiënt tot stand komen. Zonder goed na te denken, kan ook bijvoorbeeld een foto op Facebook worden geplaatst die zou misstaan in uw wachtkamer. En wat als uw patiënt vraagt of zij tijdens haar vakantie kan FaceTimen in plaats van op consult te komen?

Moet een arts die zakelijk of privé gebruikmaakt van social media, zoals Facebook en Twitter, rekening houden met bepaalde regels, naast de meer algemeen van toepassing zijnde regels over bijvoorbeeld het beroepsgeheim?

Antwoord

Shirin Slabbers is juridisch adviseur gezondheidsrecht 
bij VvAA Juridisch Advies en Rechtsbijstand

De KNMG heeft speciaal voor het gebruik van social media een tweetal documenten met regels opgesteld, waaraan een arts zich moet houden. Dat zijn de Handreiking Artsen en Social Media en de richtlijn Online arts patiënt contact. In de handreiking staan een aantal gedragsregels, waarvan het goed is om die nog eens na te lezen. Bijvoorbeeld: “Breng zoveel mogelijk scheiding aan tussen uw persoonlijke en professionele gebruik van social media en zorg dat die scheiding duidelijk tot uitdrukking komt.” De richtlijn geeft regels voor onlinecontact met patiënten, waarbij de arts een op de situatie van de patiënt gericht advies geeft (teleconsult), farmacotherapie start of herhaalmedicatie voorschrijft. Houdt u zich niet aan deze regels, dan kunt u onder meer tuchtrechtelijk worden bestraft. 

Wie zich op social media als arts profileert, moet zich ook realiseren dat privé-uitlatingen en privégedragingen onder het tuchtrecht kunnen vallen. De eerste tuchtnorm ziet toe op gedrag jegens patiënten en hun naasten. De tweede tuchtnorm (‘handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt’) gaat over zaken die niet onder de eerste norm vallen, maar te maken hebben met een meer algemeen belang van de individuele gezondheidszorg. Gedrag dat een zorgverlener buiten werktijd vertoont, maar dat in strijd is met wat een behoorlijk beroepsbeoefenaar hoort te doen, kan dus tuchtrechtelijk worden getoetst en bestraft. Extreme voorbeelden uit de praktijk zijn de zaken van een arts die zijn ex-vrouw had proberen te vermoorden, een kinderarts die thuis op zijn computer kinderporno had staan en een psychiater die bij een sekspartner intraveneus drugs had toegediend met de dood als gevolg. Nu social media steeds meer worden gebruikt, kan worden verwacht dat er ook zaken volgen met een minder extreme casuïstiek.