‘Het staat nog steeds op mijn netvlies’

Afgelopen juni keerde verpleegkundige Susan van Emden terug van haar eerste Artsen zonder Grenzen-missie. Een jaar lang werkte de 29-jarige Brabantse in Ethiopië te midden van tienduizenden Zuid-Sudanese vluchtelingen. “Op een latrine een jaar lang was ik voorbereid, niet op de enorme aantallen kinderen.”

Tekst: Monique Bowman | Beeld: De Beeldredaktie/Bart van Overbeeke

Susan van Emden“Rode kool met aardappelen en een gehaktbal hadden mijn ouders gemaakt bij mijn thuiskomst afgelopen juni. Mijn vader was dat namelijk een keer aan het koken toen ik vanuit Ethiopië met hem belde. Opeens had ik daar toen zó’n zin in. Vanuit het kamp had ik al een sollicitatie gestuurd naar het Catharina Ziekenhuis, mijn oude werkgever. Op zaterdag landde ik, woensdag kon ik al in Eindhoven op gesprek komen. Momenteel werk ik er drie tot vijf dagen per week, wat heel goed bevalt.

Terugkijkend op mijn eerste missie denk ik dat ik misschien iets meer handvatten had verwacht. Maar door de grote vrijheid die Artsen zonder Grenzen je geeft, heb je de kans jezelf te ontwikkelen, te groeien. Ik heb daardoor superveel geleerd.

Naar Afrika gaan was altijd een droom van me. In 2013 heb ik voor het eerst gesolliciteerd bij Artsen zonder Grenzen, maar werd afgewezen wegens onvoldoende managementervaring. Mijn leidinggevende in het ziekenhuis heb ik toen laten weten: ik wil seniorverpleegkundige worden. Ze wist wat mijn doel was. En dat ik het, als ik het daar niet kon bereiken, ergens anders zou nastreven. Van die opleidingsperiode heb ik vooral geleerd dat je altijd vertrouwen in jezelf moet hebben.

In 2015 heb ik opnieuw gesolliciteerd. Het was moeilijk een geschikte eerste missie te vinden; voor veel projecten is, vanwege de grote verantwoordelijkheden die je krijgt, eerdere AzG-ervaring vereist en vaak ook vloeiend Frans. Ik heb nog even een Franse taalcursus gevolgd, maar kwam in een klasje met mensen die het wilden leren voor vakanties. Dat werd ’m niet.

Het idee dat ik van zo’n kamp had, was gebaseerd op wat je altijd op tv ziet

Uiteindelijk heeft het tot juni 2017 geduurd voordat ik naar een vluchtelingenkamp in de Gambella-regio in Ethiopië kon vertrekken. Het idee dat ik van zo’n kamp had, was gebaseerd op wat je altijd op tv ziet. Het eerste wat ik mijn thuisfront liet weten, was dat het helemáál niet daarop leek. Dit is geen kámp, dit is eerder een goed georganiseerd groot dorp, riep ik.

In de Gambella-regio worden 220 duizend Zuid-Sudanese vluchtelingen opgevangen. Ik was er verantwoordelijk voor acht hulpposten in de kampen Kule en Tierkidi, met een nationale staf van zo’n 65 Ethiopiërs plus ongeveer zevenhonderd zogenaamde vluchtelingwerkers. In het begin was ik vooral zoekende. Zo kreeg ik de opdracht om een malariapost op te zetten. Ik dacht: wat ís dat eigenlijk. En: hoe ga ik aan al de verwachtingen voldoen? Ik ben gaan nadenken wie me zou kunnen helpen en op zoek gegaan naar geschikte locaties. En ik heb de lokale medewerkers gezegd: als jullie ideeën hebben, laat me die dan vooral weten. Ik had onder meer fijn contact met een andere Nederlandse verpleegkundige. Vaak bespraken we ons werk ’s avonds met een kop thee bij de ondergaande zon.

Ik zag dingen die me verbaasden en verwonderden. Veel vluchtelingen hadden beenulcers die verbonden werden door vluchtelingwerkers. Waarom niet door geschoold personeel? Het bleek vooral een kwestie van onvoldoende mankracht en geld. Mijn Keniaanse medisch teamleider vertelde dat er in Zuid-Sudan een nóg groter tekort is. Dat het werk daar bijna alleen maar door trained healthcare workers wordt gedaan in plaats van door professionals. Ik heb vooral geleerd processen beter in te richten. En het belang van vooruit kijken. Met acht verschillende posten was dat niet altijd makkelijk. Er kwam ook veel ad hoc op mijn pad. Er zaten te weinig uren in een dag, en te weinig dagen in een week. Is dit nou een project voor een eerstemissie-verpleegkundige, vroeg ik me geregeld af.

In september 2017 werden we plotseling geconfronteerd met een grote instroom nieuwe vluchtelingen. Ik kreeg een telefoontje van collega’s die tijdens een rit buiten het kamp op ze waren gestuit. Wat ze moesten doen. Dertigduizend mensen langs de kant van de weg in de modder, onder wie veel zieken. Gezinnen onder drie bamboestokken met alleen een stukje zeil erover; het staat nog steeds op mijn netvlies. Binnen 24 uur hebben we met ons hele team een tent met een hulppost opgezet. Daar ben ik best trots op.

‘Ik heb geregeld gevraagd waarom men toch zo veel kinderen kreeg’

Ik was voorbereid op een jaar lang primitieve omstandigheden, op een latrine en een hut. Niet op de enorme aantallen kinderen. Dat een kwart van de vluchtelingen onder de vijf jaar is, vond ik schokkend. En waarom blijven de mensen daar maar doorgaan met kinderen krijgen? Ik heb die vraag geregeld gesteld. En gemerkt hoe anders de denkwijze er is. Men gaat er sowieso van uit dat één of twee kindjes doodgaan. En dat zoons misschien moeten vechten in een oorlog. Wat me ook heeft geschokt, is dat de mensen er zó afhankelijk zijn. Ze zouden veel meer gestimuleerd moeten worden zelfvoorzienend te zijn. Er is een diepgewortelde cultuur van handje ophouden. Ik had eens met veel moeite een paar van onze T-shirts geregeld die enkele vluchtelingwerkers graag wilden hebben om beter zichtbaar te zijn in de community. Toen ik ze bracht, kreeg ik als reactie dat ze ook jassen wilden. En laarzen. Je kunt ook eerst gewoon dankjewel zeggen, dacht ik.

Waar ik in Nederland weer erg aan moest wennen, is dat iedereen hier altijd haast heeft. Zelfs in een kleine rij wordt men al ongeduldig. Verder vond ik snel mijn draai. Ik geniet weer enorm van het aan een ziekenhuisbed staan, van het échte zorgen. Toch kriebelt het sinds een maand, ik houd de AzG-vacaturelijst weer in de gaten. Mijn thuisfront had misschien stiekem gehoopt dat het na één missie klaar zou zijn. Maar na Afrika ben ik nu eigenlijk wel benieuwd naar het Midden-Oosten.”