‘In het begin keek ik mijn ogen uit’

Anko Boelens (36) is sportarts bij OCON Sportmedische Kliniek in Hengelo. Ook is hij chef Medische Zaken bij de Nederlands-Duitse wielerploeg Team Sunweb. Daar begeleidt hij onder anderen Tom Dumoulin, de winnaar van de Ronde van Italië. Uit het leven van een wielerarts.

Tekst: Frank van Kolfschooten | Beeld: De Beeldredaktie/Jasper van Overbeek

‘Toen ik in 2000 in Groningen geneeskunde ging studeren, had ik nog geen idee welke specialisatie ik wilde gaan doen. Maar na het begin van mijn co-schappen wist ik al snel dat ik verder wilde in de sportgeneeskunde. Met de mensen die dat vak deden, had ik een enorme klik. Ze waren net als ik gek op zelf sporten, volgden het sportnieuws op de voet en dat zorgde voor een sterke onderlinge band. Het leuke van sportgeneeskunde is dat het zo’n breed specialisme is. Cardiologie, orthopedie, longgeneeskunde, inspanningsfysiologie, er zit van alles in.

Wat mij ook aansprak bij sportgeneeskunde is dat je vaak met gemotiveerde mensen van doen hebt. Soms zelfs te gemotiveerd, waardoor je ze moet afremmen. Ik kom als sportarts veel mensen tegen voor wie sporten zo belangrijk is, dat ze flink van de leg raken als ze door een blessure niet kunnen sporten. Veel patiënten willen snel verbetering zien, maar dat kan niet altijd. Bij revalidatie na een blessure of ongeluk gaat het om het vinden van een goede balans tussen belasting en belastbaarheid, tussen meer bewegen en wat minder bewegen. Dat geldt zowel voor patiënten die door een chronische ziekte heel weinig aankunnen als voor topsporters.

‘Het leuke van sportgeneeskunde is dat het zo’n breed specialisme is. Cardiologie, orthopedie, longgeneeskunde, inspanningsfysiologie, er zit van alles in’

In de profwielrennerij ben ik in 2014 door puur toeval beland. Wielerploeg Giant-Shimano, zoals Team Sunweb toen nog heette, zocht een hoofdarts voor de medische begeleiding. Een collega-sportarts in het Isala Ziekenhuis waar ik werkte, had nee gezegd omdat hij net was begonnen met een promotietraject aan de universiteit. Daarna schoof het ziekenhuis mij naar voren, hoewel ik nog drie maanden te gaan had van mijn vierjarige opleiding tot sportarts. Ik had het profwielrennen altijd wel goed gevolgd in de krant en op tv, maar ik had op dat moment zelf niet eens een racefiets! Maar de gesprekken met de leiding van Giant-Shimano verliepen heel plezierig en ze vonden het geen probleem dat ik geen ervaring had in de wielrennerij. Zij wilden vanwege hun strikte antidopingbeleid juist een arts die 100 procent zeker nooit iets met doping te maken had gehad.

Ik heb natuurlijk wel getwijfeld of ik het aanbod moest accepteren. Ging ik niet iets doen waar ik nog niet klaar voor was? Het afbreukrisico was groot, ook voor de ploeg. Maar deze kans kon ik niet laten schieten. De eerste maanden moest ik me veel eigen maken over de medische gang van zaken in de wielrennerij. Gelukkig werkte de ploeg met meer artsen, die al wel ervaring hadden met de begeleiding bij wedstrijden. Aan hen heb ik veel gehad, met soms heel simpele adviezen. Bijvoorbeeld dat reguliere geneesmiddelen niet goed werken bij wondjes en puisten op het zitvlak en dat je daarom altijd een tube trekzalf moet meenemen, want dat doet wonderen. Heel fijn om dat als dokter met autoriteit tevoorschijn te kunnen halen als je net bij de ploeg bent!

Met medicatie zijn we overigens heel terughoudend bij Sunweb. Paracetamol geven we geregeld, maar geen zwaardere pijnstillers zoals tramadol, omdat een renner daar duizelig van kan worden en langzamer reageert. Ook ibuprofen geven we liever niet, want bij intensieve inspanning reageren de maag en darmen daar slecht op en een diarree-aanval kun je absoluut niet hebben in de koers, zoals wij als geen andere ploeg weten (Dumoulin verloor in de Giro door darmproblemen twee minuten, FvK). Corticosteroïden geven we helemaal niet, omdat die ook kunnen worden gebruikt om dopinggebruik te maskeren. En verder hebben we de stelregel: als een renner ziek is, is-ie ziek en gaan we ons niet in bochten wringen om hem op de fiets te houden.

‘In de laatste dagen van zo’n ronde begin ik wel naar huis te verlangen, want je bent dan helemaal leeg’

In het begin keek ik mijn ogen uit, achter de schermen en in de koers zelf. Ik verbaasde me erover dat er niet meer ongelukken gebeurden als renners zich even lieten afzakken om voedselzakjes of een bidon te halen en daarbij tussen de volgauto’s achter het peloton belandden. Maar ze zijn zó behendig in overal tussendoor sturen. Het ergste ongeluk dat ik heb meegemaakt was begin 2016, niet tijdens een koers, maar bij een training in Spanje. Zes van onze renners, onder wie onze topsprinter John Degenkolb, zijn daar geschept door een auto en moesten met helikopters naar ziekenhuizen worden gebracht. Ze zijn echt aan de dood ontsnapt en de nasleep van dat ongeluk heeft ons hele seizoen bedorven. Ik heb veel tijd moeten steken in de nazorg.

Als team moeten we kiezen naar welke wedstrijden we artsen meesturen. Elke koers heeft eigen ronde-artsen en er rijden ook altijd ambulances mee achter het peloton. Maar bij de belangrijke eendaagse koersen en rondes gaat er altijd iemand van onze medische staf mee. Dit jaar ga ik in het voorjaar onder meer naar alle Vlaamse koersen, naar de Ronde van Catalonië en naar de helft van de Giro d’Italia. Vorig jaar was ik erbij toen Tom Dumoulin de Giro won en ben ik ook naar de Tour de France geweest, dat was allebei echt magisch. Nadeel van grote rondes is dat ik lang van huis ben, terwijl ik een gezin met jonge kinderen heb. Omdat je van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat geleefd wordt, heb je geen tijd om heimwee te voelen. Maar in de laatste dagen van zo’n ronde begin ik wel naar huis te verlangen, want dan ben je helemaal leeg. Mijn lange afwezigheid levert thuis weleens discussie op, maar als sportarts heb ik het voordeel dat ik geen avond- of weekenddiensten heb en kan bijdragen aan de zorg voor de kinderen. En op maandag werk ik vanuit huis en doe ik tussendoor de was!’