Intimidatie

 

 

Om de maand laten Annemarie Smilde (senior jurist gezondheidsrecht/teammanager bij VvAA rechtsbijstand) en Lieke van der Scheer (filosoof/ethicus) in Arts en Auto hun licht schijnen op een medisch dilemma. Hieronder kunt u meediscussiëren over hun antwoorden.

Wilt u zelf een dilemma aan dit panel voorleggen? Mail dan naar redactie@artsenauto.nl o.v.v. dilemma. De redactie neemt dan contact met u op.

Een huisarts krijgt bij huisbezoek te maken met intimidatie van de zoon van patiënt. Wat kan en mag hij doen om de veiligheid van mevrouw en zichzelf te waarborgen?

Een huisarts heeft een patiënt van 75 jaar, die zich, na een hersenbloeding, alleen kan verplaatsen met een rollator en voor verzorging volledig afhankelijk is van haar thuiswonende zoon van 40. Patiënt heeft bovendien diabetes en longemfyseem. Regelmatig legt de huisarts een huisbezoek af, omdat de patiënt geen vervoer heeft naar de praktijk. De thuiszorg komt een paar keer per week.

Tijdens de huisbezoeken treft de huisarts vaak ongure types aan in huis. Het blijken kennissen van de zoon te zijn. De zoon kan erg dwingend zijn en stelt zich geregeld agressief op naar de huisarts. Daarbij uit hij dreigementen als: “Mijn vrienden en ik weten je te vinden.” De houding van de zoon verandert niet, ook niet nadat de huisarts met hem besproken heeft dat hij zijn manier van communiceren niet prettig vindt.

Niet alleen de huisarts is doelwit van de intimidatie. Ook tegen zijn moeder is de man dwingend en kortaf. De patiënt geeft aan bang te zijn voor haar zoon, maar wil er verder niets over kwijt, omdat zij afhankelijk is van hem.

De huisarts voelt zich eigenlijk niet meer veilig tijdens de huisbezoeken en maakt zich ook zorgen over de veiligheid van zijn patiënt. Wat kan en mag hij doen om de veiligheid van mevrouw en zichzelf te waarborgen? En mag hij in het uiterste geval de behandelrelatie verbreken?

Lieke-van-der-scheer

Ethicus
Lieke van der Scheer

Een trieste situatie, waarin deze hulpbehoevende vrouw verkeert. Ze is bang voor haar zoon, maar kan niets doen omdat ze afhankelijk van hem is voor haar dagelijkse zorg. Ze kan geen kant op. Als de arts dat met de zoon wil bespreken, wordt ook hij geïntimideerd. Valt er in deze patstelling nog een opening te vinden, waarbij zowel het zorg- als het veiligheidsprobleem wordt opgelost?

Zo’n complexe casus overstijgt meestal de mogelijkheden van een individuele huisarts of hulpverlener. Omdat bedreiging en intimidatie onder huiselijk geweld vallen, ligt de weg open om bijvoorbeeld advies te vragen aan Veilig Thuis. Zij kunnen op de – eerst anoniem gepresenteerde – situatie, toegespitste suggesties geven en (in een later stadium) extra hulp en expertise inschakelen. Zij weten misschien ook wegen om de zoon en zijn vrienden te benaderen.

Inschakelen van andere hulpverleners ontslaat een individu niet van de morele plicht ook zelf iets te ondernemen en te proberen. Als zijn eigen veiligheid acuut in gevaar komt, wordt het een ander verhaal, maar voor nu is de primaire taak van de arts om de zorgsituatie van de vrouw te verbeteren. Is er ergens een opening te ontdekken, die helpt de afhankelijkheid van de patiënt te verminderen? Omdat haar zoon bij haar woont, heeft de patiëntmogelijk minder recht op andere hulp. Misschien houdt hij bovendien anderen uit haar netwerk op afstand. Meer afstand tussen moeder en zoon kan dus haar zorgsituatie verbeteren.

Kan de patiënt voortaan bijvoorbeeld toch op de praktijk komen? Desnoods met een taxi? Wellicht voelt ze zich daar iets vrijer om zich te uiten; ook de arts kan dan vrijer spreken. Achterhaald moet worden wat belangrijk is voor de patiënt. Misschien kan haar netwerk versterkt worden. Zijn er andere kinderen, familieleden, kennissen, buren die een rol kunnen spelen bij het verminderen van de afhankelijkheid? Wil ze verhuizen of aangifte doen? Er zullen meerdere gesprekken nodig zijn en misschien een out of the box-benadering. Allemaal gericht op het vinden van een opening in deze zeer onwenselijke patstelling.

 

 

 

 

Annemarie-smilde

Jurist
Annemarie Smilde

Het gedrag van de zoon is mogelijk een signaal van huiselijk geweld. De huisarts moet bij dergelijke signalen op grond van zijn wettelijke zorgplicht stappen zetten om duidelijk te krijgen of het inderdaad gaat om aanwijzingen voor huiselijk geweld. En om af te wegen of een melding bij Veilig Thuis is aangewezen. De KNMG-meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld bevat hiervoor een stappenplan. De arts moet dit doorlopen, voordat hij tot een melding overgaat.

In geval van een vermoeden van huiselijk geweld tegen een volwassen, wilsbekwame patiënt – zoals in deze casus – kan het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt een belemmering zijn, zowel bij het vergaren van informatie als het doen van een melding. Zo mag deze arts alleen met toestemming van patiënt zijn zorgen met de thuiszorgverpleegkundigen bespreken. De Meldcode is onder meer op dit punt eind 2018 aangepast. Daarnaast bepaalt de Meldcode dat een arts geen melding aan Veilig Thuis mag doen bij een weloverwogen en in vrijheid geuite weigering van toestemming. Overigens is van dit laatste geen sprake als de weigering naar het oordeel van de arts te zeer is ingegeven door de afhankelijkheidsrelatie tussen de patiënt en de ‘pleger’. Voldoet de weigering wel aan deze eisen, dan is er nog een andere escape: een arts mag een melding toch doorzetten, wanneer deze noodzakelijk is om ernstig gevaar voor zwaar lichamelijk of psychisch letsel of de dood af te wenden.

Mijn advies aan de huisarts is om eerst met collega’s te overleggen over zijn inschatting van de situatie en mogelijke acties en vervolgens Veilig Thuis te benaderen voor advies over de aanpak, uiteraard op basis van de anoniem gepresenteerde casus.

Naast de onveilige thuissituatie van de vrouw speelt hier de vraag of de huisarts in staat is om goede zorg te verlenen aan zijn patiënt. De verstoorde relatie met de zoon kan hem immers in zijn zorgverlening belemmeren. Dit probleem is niet opgelost als huisbezoeken niet meer nodig zouden zijn door het regelen van vervoer naar de praktijk. Ook dan kan de zoon zich met de zorg aan patiënt blijven bemoeien.

Een verstoorde relatie met een naaste van een patiënt kan een wettelijk vereiste gewichtige reden voor opzegging van de behandelingsovereenkomst opleveren. Bijvoorbeeld in dit geval als de zoon zijn gedrag niet aanpast, ondanks duidelijke afspraken hierover en waarschuwingen bij niet nakoming hiervan. Wanneer de arts tot opzegging besluit, moet hij wel de zorgvuldigheidseisen uit de KNMG-richtlijn Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst in acht nemen. Mocht geen enkele huisarts bereid zijn patiënt aan te nemen, dan zou de huisarts met zijn collega’s uit zijn huisartsengroep afspraken kunnen maken over ‘roulatie’ van de patiënt.