Joggen

In de jaren tachtig ‘genas’ huisarts Rob Peters tijdens zijn weekenddienst eens een patiënt door samen een rondje te rennen.

Tekst: Rob Peters | Illustratie Marcel Leuning

“Mijn vrouw (zij deed destijds de triage vanuit huis) riep mij, de dienstdoende huisarts, op voor een spoedgeval. Op die zondagmiddag moest ik naar een man met benauwdheid en pijn op de borst.

Het adres bleek een groot woonschip aan de kade. Achter de kanten gordijnen met roesjes zag ik witte beeldjes en vaasjes met kunstbloemen, alles keurig verzorgd. In alle haast werd ik aan boord ontboden, waar de hele familie bezorgd om een jongeman van ongeveer 20 jaar stond. Hij zat op een stoel midden in de salon, zijn sneakers uit, heftig hijgend, de handen op zijn borst. Al snel hoorde ik dat dit niet de eerste keer was dat hij deze klachten had. Vier artsen waren al langs geweest en een nader onderzoek had niets opgeleverd. Het zou ‘tussen de oren zitten’. Maar hij zat ermee en wilde nu weleens weten wat er aan de hand was, eigenlijk wilde hij direct opgenomen worden. Die stekende pijn en die benauwdheid zijn toch geen aanstellerij? Heftig knikkend was de rest van de familie het ermee eens. Nadat ik hem had onderzocht en ik niets kon ontdekken dat maar enigszins aan ernstig lijden deed denken, dacht ik aan het motto: ‘meer van hetzelfde is niet wenselijk of behulpzaam’. 

‘Er kon niets gebeuren omdat de dokter naast hem liep’

Ik stelde hem voor een belangrijke test te doen voor ik hem eventueel zou laten opnemen, maar dan moest hij wel exact doen wat ik hem opdroeg. ‘Dat sprak vanzelf’ en hij bevestigde dat hij alles precies zou doen wat ik hem vroeg. Ik zei hem zijn sneakers aan te doen en de veters goed dicht te maken. Vervolgens vroeg ik hem om met mij naar buiten te gaan. Verbaasd maar nog net niet tegensputterend volgde hij me van boord de straat op. ‘Nu lopen, snel lopen’, waarop hij protesteerde en betwijfelde of zijn hart dat aankon. Maar ik was onverbiddelijk en herinnerde hem eraan dat hij precies zou doen wat ik hem vroeg. Het tempo voerde ik op toteen sukkeldraf en ik verzekerde hem tijdens verdere protesten, dat hem niets kon gebeuren omdat de dokter naast hem liep. Zo joggend hebben we een rondje door de stad gelopen. Terug bij het woonschip vroeg ik hem hoe het met hem ging. De pijn en de benauwdheid waren volledig verdwenen, tot zijn verbazing. Met de mededeling dat hij bij hernieuwde klachten een stukje kon gaan joggen, heb ik afscheid van hem genomen. 

De diagnose hyperventilatie wordt niet meer gehanteerd en is vervangen door de diagnose ‘paniekaanvallen’. Met mijn aanpak heb ik zijn onderliggend probleem uiteraard niet opgelost. De eigen huisarts van de man vertelde me dat er al langer familieproblemen waren die door de leden van het gezin bij voorkeur werden gesomatiseerd en lastig benoembaar bleken te zijn. 

Iedere medisch professional heeft wel een patiënt (gehad) die hij of zij nooit vergeet. Omdat de omstandigheden zo bijzonder waren, het behandeltraject aangrijpend, of juist omdat zich iets grappigs voordeed in het contact. In deze reeks leest u hun verhalen.