Opleiden anno 2018 - Arts en Auto

Opleiden anno 2018

Twintig jaar geleden werden zij aan de hand genomen en in een vast stramien opgeleid, maar nu ze zelf opleiders zijn, laten ze hun aiossen zo vrij mogelijk. Omdat de opleidingsplannen zijn veranderd én omdat het past bij deze generatie. “Opleiden is maatwerk.”

Tekst: Martijn Reinink | Beeld: Tamar Smit

Hij heeft in zijn opleiding tot uroloog weleens een tik gehad. Op zijn vingers, tegen zijn achterhoofd. Michael van Balken (46) kan er wel om lachen als hij eraan terugdenkt. “De opleider van toen was een karakteristiek figuur, solistisch, een stukje harder dan de opleider van nu.” Internist-nefroloog Watske Smit (50) is van dezelfde generatie; beiden genoten hun opleiding tot specialist eind jaren negentig-begin 2000. Zij omschrijft de opleider uit die tijd als ‘een echte professor’. “Iemand met veel kennis, met gezag. Het was niet zo dat je bang voor hem was, maar als je dienst had met de opleider, dan was je wel op je hoede.”

Twee decennia later zijn ze zelf opleider; uroloog Van Balken in het Rijnstate Ziekenhuis, internist Smit in het Jeroen Bosch Ziekenhuis. Hoewel ze totaal anders opleiden dan hun leermeesters, hebben ze wel iets van hen overgenomen. “Een zekere strengheid”, zegt Van Balken. “Maar streng op gepaste wijze. Ik heb mijn stijl gevormd naar deze generatie.” Smit herinnert zich haar opleider in het AMC. “Hij vervulde ook een vaderlijke rol. Als je een probleem had, kon je bij hem terecht. Al liep je niet zomaar bij hem binnen. Diezelfde rol heb ik nu ook, denk ik, alleen ligt de drempel om bij mij aan te kloppen een stuk lager. Sowieso zijn de verhoudingen tussen aiossen en opleiders met de jaren natuurlijk veel losser geworden.”

Individualisering

Het klassieke meester-gezelmodel heeft plaatsgemaakt voor een model waarbij de nadruk ligt op competentiegericht opleiden en individualisering. Van Balken: “In mijn tijd was je als aios volstrekt niet vrij. Zó moest het en deed je dat niet, dan was het fout. Ruimte voor discussie en eigen ideeën was er niet. Nu laat je een aios zo vrij mogelijk. Je schept voorwaarden en je stelt grenzen. Ze moeten aan minimumvoorwaarden voldoen, maar ze maken zelf hun opleiding.” Of zijn aiossen het daardoor makkelijker hebben dan hij destijds, betwijfelt Van Balken. “Wij moesten voldoen aan bepaalde eisen. Hoge eisen of niet: je wist wat de opdracht was. Nu stelt de aios voor een groot deel zelf de eisen. Sommigen stellen te hoge eisen aan zichzelf, maar vaker nog zie ik dat ze de grenzen te klein houden en hun talenten onbenut laten.”

‘De opleider van nu is geen professor, maar een soort manager. Je hebt een coachende rol’

En daar ligt volgens de uroloog een belangrijke taak voor hem als opleider. “Uitvogelen welke talenten iemand heeft en dan verder duwen.” Smit: “De opleider van nu is geen professor, maar een soort manager. Je hebt een coachende rol. Ik kijk samen met een aios naar diens behoeften, wat hij of zij wil. Vervolgens personaliseren we de opleiding. Heeft iemand interesse in management, dan laten we diegene bijvoorbeeld meelopen met het ziekenhuisbestuur. We bieden uitdaging. Al moet je soms ook iemand afremmen, zoals de aios die er in zijn eerste jaar al wetenschap naast wil doen, maar nog geen goede dokter is.”

Dat ze een beetje op de rem moet trappen, komt trouwens geregeld voor. “Deze generatie is zelfbewust, doelgericht en ongeduldig. Als ze iets een paar keer hebben gedaan, denken ze het onder de knie te hebben. Maar ze moeten vlieguren maken. Niet elke patiënt en niet elke situatie is hetzelfde.”

Eigen stijl

Beatrijs de Leede (53) is als onderwijskundige verbonden aan het LUMC. Zij merkt op de werkvloer en in de trainingen die ze geeft dat veel opleiders het lastig vinden om aiossen vrij te laten, vooral wanneer het minder goed gaat. “Dan hebben ze de neiging de problemen voor de aios op te lossen. Dat is natuurlijk hun vak: zorgen voor mensen. Maar een aios heeft een universitaire studie gevolgd, is vaak ruim in de dertig, heeft meestal al een aantal jaren werkervaring en moet dus in staat zijn, met de opleider als klankbord, zelf problemen op te lossen. Zo ontwikkelen ze een eigen stijl en komen ze erachter welke oplossingen bij hen passen.” Van Balken is het met haar eens, maar plaatst wel een kanttekening: “Je leert er het meeste van als je er zelf uitkomt, maar het hangt wel van het probleem af of dat kan. Gaat het om patiëntcontact, dan kun je een aios maar tot zekere hoogte laten spartelen.”

‘Gaat het om patiëntcontact, dan kun je een aios maar tot zekere hoogte laten spartelen.’

Van Balken merkt dat de huidige generatie aiossen het wel makkelijk lijkt te vinden wanneer een ander het probleem oplost. “Het is een hartstikke leuke, leergierige generatie hoor, maar dat is wel een ‘klein ergernisje’ af en toe. Als je in mijn tijd een keer ziek was – dat kwam trouwens niet zo vaak voor – of een maatje ging op huwelijksreis, dan loste je dat onderling op. Maar als een aios nu niet kan komen, dan is dat niet zijn of haar probleem, maar óns probleem.” Onderwijskundige De Leede heeft daar wel een verklaring voor. “Deze generatie is gewend dat veel voor ze geregeld en gedaan wordt. Ze hebben altijd de wind mee gehad. Ik wil niet zeggen dat ze niet hard moeten werken tijdens de opleiding, maar ze zijn opgegroeid in welvaart. Alles mocht, alles kon. Er zijn jonge klaren die klagen: heb ik zo lang gestudeerd en nu heb ik geen baan. Maar de meesten kunnen wel een baan krijgen, alleen niet direct vast of ze moeten reizen of verhuizen en dat is lastig met een werkende partner. Dat is wel een generatieverschil; de opleiders van nu trokken als jonge klaren het hele land door op zoek naar werk.”

Maar werk en opleiding zijn niet meer het allerbelangrijkste in het leven. Internist Smit merkt dat geregeld. “Als ik een aios vraag iets voor te bereiden in het weekend, dan is dat vaak lastig. Want: familie, sport, een feestje. Een goede balans tussen werk en andere dingen is ook prima. Maar opgeleid worden is geen 9-tot-5-baan. Dat zeg ik ook vaak; er wordt in jullie geïnvesteerd, je moet er ook iets voor terugdoen.”

Stereotypen

Anno 2018 moeten opleiders over begeleidingsvaardigheden en gesprekstechnieken beschikken die aansluiten bij de aiossen van deze tijd. Dat zegt Beatrijs de Leede. Ze geeft er masterclasses over en heeft er, samen met opleidingskundige Corry den Rooijen, een boek over geschreven. In Het coachboek voor opleiders passeren verschillende ‘herkenbare aiossen’ de revue. Zoals de perfectionistische aios, de het-gaat-wel-goed aios, de aios die geen keuzes maakt en de aios die alleen focust op het medisch inhoudelijke. “Het zijn stereotypen, maar het helpt om er bewust van te worden dat niet elke aios hetzelfde is en dat er verschillende coachingstechnieken zijn die je kunt gebruiken bij de verschillende type aiossen. Opleiden is maatwerk leveren.”

Dat is wat Van Balken en Smit doen. En wat hun aiossen waarderen. Dat blijkt wel uit het feit dat ze allebei De Opleidingsprijs van De Jonge Specialist hebben gewonnen. Smit in 2015, Van Balken het afgelopen jaar. “Ik ga met elke aios op een andere manier om”, zegt die laatste. “De een temper ik, de ander heeft een trap onder de kont nodig en weer een ander laat ik heel vrij.” Smit: “Het is altijd even zoeken: hoe is iemand, hoe kan ik diegene het beste coachen? Ik ben van de persoonlijke aanpak. Altijd benieuwd naar iemands achtergrond. De ene aios vindt dat prettig. De ander gedijt beter bij mijn collega, de waarnemend opleider, die meer kijkt naar hoe iemand in de opleiding staat.”

‘De een temper ik, de ander heeft een trap onder de kont nodig en weer een ander laat ik heel vrij’

Alleen al om die reden vindt Smit het ‘veel beter’ dat de opleiding tegenwoordig niet meer door één dokter, maar door de hele vakgroep wordt gedragen. “In mijn tijd schreef de opleider een keer in de zoveel maanden een beoordeling. Nu krijgt de aios direct, vaker en meer feedback en input van meerdere internisten.” Al schuilt niet in elk vakgroeplid een opleider. De Leede zegt: “Met de juiste trainingen kan iedereen coach worden, maar bij de echte opleiders zit het opleiden in het bloed.”

Smit: “De een haalt plezier uit wetenschap, de ander uit organisatorisch werk. Mijn hart ligt, naast patiëntenzorg, bij het opleiden, begeleiden en onderwijs. Ik vind het stimulerend om iemand zijn weg te laten vinden in dit zware, langdurige proces.” Voor Van Balken geldt hetzelfde. “Het is fantastisch om jonge mensen die goed willen worden in jouw vak te zien groeien, en om daar een bijdrage aan te leveren. En vergeet niet: aiossen leiden jou ook op. Ze houden je constant een spiegel voor: op vakinhoudelijk gebied – je wordt gedwongen bij te blijven en keuzes te verantwoorden – maar ook op persoonlijk vlak.”

2 Reacties Reageer zelf

  1. Willem Robert van Di
    Geplaatst op 6 februari 2018 om 20:49 | Permalink

    Wat voor ‘soort’ AIOS dan ook, allemaal verplicht lezen het boek van hoogleraar Kiki Lombarts, ‘Professsional Performance van Artsen, tussen tijd en technologie’.
    Het credo ‘Opleiden is maatwerk’ is niet representatief voor de huidige tijd – dat is het altijd geweest.

  2. Jan Jacques Michiels
    Geplaatst op 10 februari 2018 om 09:30 | Permalink

    Het bijzondere van een arts assistent tot huisarts of specialist is dat hij of zij met vernieuwende kennis komen dat het routine regeltjs denken en richtlijnziekte van de zg grijze opleider doorbreekt. In mijn tijd organiseerde wij als assistent in opleiding tot Interne Geneeskunde de refereer avonden omdat onze opleider het veel te druk hadden met managen, geld verdienen en andere verantwoordelijkheid. De waardering van de opleider voor zijn AOIS was groot.
    Er is dus niks nieuws onder de zon. Zo werkt dat op elke klasse boerderij en/of een goedlopend bedrijf. Laat dat aanstormend jong talent maar een flink schrappen en wegpoetsen en vegen wat niet werkt om plaats te maken met kwailiteit gestuurde goede zorg en behandeling van patienten zonder overbodige administratieve. De politiek (2 minsters) en de zorgverzekeringen (Andre Rouvout) dienen een goed gestuctureerde ICT netwerk aan alle artsen aan te bieden op kosten van het bedrijfsleven, pharmaceutische industrie en de politiek inclusief academisch medisch onderwijs en onderzoek landelijk en in Europa.