Some things rotten

Flip Vuijsje
Flip Vuijsje studeerde politieke wetenschap en sociologie; was hoofdredacteur van onder meer Intermediair en Arts en Auto, en heeft zijn eigen bureau voor redactionele hulp bij zorgpublicaties (www.bureauflipvuijsje.nl). Lees alle artikelen van Flip Vuijsje

Afgelopen weekend kwamen we weer thuis uit Denemarken, als ik goed tel voor de zeventiende keer sinds ons eerste bezoek in 2008. Over wat aan dit land allemaal zo aantrekkelijk is, heb ik hier al meer dan eens geschreven. Maar zélfs Denemarken heeft ook zijn minpunten. Voor een deel sluiten die aan op het standaardbeeld dat veel mensen van dit land hebben: duur, en weinig te beleven.

Duur is Denemarken zeker. De kroon mag dan muurvast aan de euro vastgeklonken zitten – voor onveranderlijk 13,5 cent – maar het algehele prijsniveau in euro’s ligt toch zeker zo’n kwart hoger dan bij ons

Verder: iedereen die weleens door Denemarken heen is gereden, weet dat je voor het landschap niet speciaal hoeft te gaan. Maar tegelijk is dit voor een deel schijn. Het oppervlakkige oog ziet weinig meer dan steeds weer opnieuw dezelfde weilanden, akkers en bossen, afgewisseld met hooguit wat speelgoedheuvels. En identieke dorpen met als grootste attractie dat typisch Deense bakstenen kerkje met daaromheen een kerkhof.

Van die 7000 kilometer vaak prachtige kust zie je vanuit de auto maar heel weinig, want alleen langs de meest saaie, meest bebouwde gedeeltes loopt een serieuze weg. De rest ligt verscholen achter bossen, heide, clusters van zomerhuizen, en is alleen bereikbaar via een onverhard pad dat ook vaak nog ‘privé’ is. Hoeveel afwisseling juist aan die kust verscholen zit, van noord naar zuid en van oost naar west, ontdek je dan ook pas langzamerhand. Denemarken is behoorlijk naar binnen gekeerd, en bewaart zijn geheimen voor de liefhebber. Preciezer geformuleerd: ergens in Denemarken gewoon een tijdlang zijn, is enorm aan te bevelen. Als je tenminste houdt van rust, ruimte, groen en (vooral) zee; en van kristalhelder (zwem)water en écht heldere buitenlucht.

Denemarken is behoorlijk naar binnen gekeerd, en bewaart zijn geheimen voor de liefhebber

Dan nog wat échte minpunten. Grote attracties van wereldstatuur heeft Denemarken niet. Natuurlijk: Kopenhagen is een stad waar je zeker geweest moet zijn, maar daarna houdt het al gauw op. Aarhus heeft als havenstad nog wel iets kosmopolitisch, en als universiteitsstad iets jeugdigs en dynamisch. Maar Odense en Aalborg zijn gewoon kleine provincieplaatsen zonder allure, met in het centrum een minimaal ‘oud gedeelte’ van wat autovrije winkelstraten rond de kerk en daaromheen verder niks bijzonders.

Erger nog wordt het in écht kleine provincieplaatsen. Niet alleen omdat die, best vreemd voor zo’n rijk land, vaak wat onderkomen ogen. Maar ook omdat ze zo sfeerloos zijn. Denen zijn, buiten Kopenhagen, geen volk dat graag publieke levendigheid opzoekt; zijn meer van eigen huis en haard. En dus is het, veel meer dan bijvoorbeeld in Nederland, na zessen op straat uitgestorven, met ook veel minder horeca dan wij bij ons gewend zijn.

Dat brengt me, tot slot, bij de Denen zelf. Die zijn in meerderheid, voor zover je dit als toerist kunt vaststellen, beschaafd, betrouwbaar, eerlijk, vriendelijk, goedopgeleid, goed Engels sprekend (vaak beter dan veel Nederlanders), wel- en ruimdenkend. Maar er is ook een ander type Deen, dat juist in het straatbeeld, en zeker buiten Kopenhagen, bijna voortdurend opvalt.

Een echte onderklasse kun je dit niet noemen – dat woord heeft te veel associatie met het soort armoede dat je in Denemarken gewoon niet hebt. Maar heel herkenbaar en aanwezig zijn ze wel: mannen en vrouwen van allerlei leeftijden die ostentatief maling aan middenklasse-waarden uitstralen. Je merkt dit aan hun uiterlijke verschijning, die er een is van bijna provocerende onverschilligheid. Aan onverzorgdheid als het gaat om kleding. Aan ongegeneerde corpulentie, die ook vaak regelrechte obesitas is. Aan sigaret tussen de lippen en fles bier in de hand – dat laatste ook in de openbare ruimte, en ook als het nog lang geen avond is. En wat in Denemarken ook erg opvalt: een wijdverbreide cultuur, veel meer dan bij ons, van – vaak zichtbaar al decennia geleden aangebrachte – tatoeages.

Zelf vermoed ik dat dit een keerzijde is van de extreem hoogontwikkelde verzorgingsstaat die Denemarken is. Die brengt, daarover geen misverstand, vóór alles een heleboel goeds, en is een hoofdoorzaak is van de altijd zo hoge Deense scores in internationaal geluksonderzoek. Maar tegelijk is Denemarken een land waar niet alleen gemiddeld minder gewerkt wordt dan in andere rijke landen, maar waar ook een cultuur van ‘comfortabel verzorgde ledigheid’ in sommige sociale strata flink wortel heeft geschoten.

Wie zo vaak in Denemarken komt als wij, komt vroeger of later vanzelf weleens in aanraking met de gezondheidszorg. Zoals de paar vriendelijke en – voor zo ver wij konden beoordelen – heel competente huisartsen met wie we te maken kregen. Maar ook, niet lang geleden in een Deense provinciestad, met het paramedisch en overig personeel in een medisch centrum waar even een foto moest worden gemaakt van een gekneusde pols. De traagheid waarmee dit gebeurde, de slechte communicatie (ook tussen medewerkers onderling) én de algehele lijzigheid en desinteresse van de mensen die daar werkten, was voor ons Nederlanders toch echt abnormaal.

En ook dit kan te maken hebben met het doorschieten van een verzorgingsstaat. En dan speciaal op het punt van arbeidsrechtelijke bescherming van lager opgeleid overheidspersoneel, dat hierdoor weinig tot geen incentive meer heeft om zich klant- en burgervriendelijk te gedragen.

Best dus veel aan te merken op dat Denemarken, en wij hebben daarom voor straf besloten om er dit jaar niet meer voor de achttiende keer naar toe te gaan. Dat doen we pas komende lente.

Eerdere columns over Denemarken