Reden voor suïcide

 

Om de maand laten Annemarie Smilde (senior jurist gezondheidsrecht/teammanager bij VvAA rechtsbijstand) en Lieke van der Scheer (filosoof/ethicus) in Arts en Auto hun licht schijnen op een medisch dilemma. Hieronder kunt u meediscussiëren over hun antwoorden.

Wilt u zelf een dilemma aan dit panel voorleggen? Mail dan naar redactie@artsenauto.nl o.v.v. dilemma. De redactie neemt dan contact met u op.

Een jonge vrouw suïcideert zich. Haar ouders willen weten waarom en komen terecht bij een physician assistant. Wat mag hij vertellen?

De ouders van een jonge vrouw van 20 jaar komen bij een physician assistant op het spreekuur. Hun dochter heeft zich onlangs gesuïcideerd. De ouders zijn zeer verdrietig en willen heel graag weten hoe het zover heeft kunnen komen. De instelling waar de dochter onder behandeling was, weigert echter informatie over de ziekte en de behandeling van hun dochter aan de ouders te geven. De dochter zou dat in een eerdere fase nadrukkelijk hebben verboden. De instelling heeft de physician assistant, zij het telefonisch, wel geïnformeerd over de toedracht en de voorgeschiedenis. De ouders vragen de physician assistant deze informatie met hen te delen. De physician assistant kent de dochter en zij heeft aan hem nooit iets laten weten over een verstoorde relatie met de ouders. Wat moet hij doen?

Lieke-van-der-scheer

Ethicus
Lieke van der Scheer

Nabestaanden van mensen die suïcide hebben gepleegd, blijven met verdriet en vragen achter. Vaak ook met gevoelens van schuld, onmacht en spijt dat ze de suïcide niet hebben kunnen voorkomen. Informatie over wat er is gebeurd en waarom, kan helpen bij rouwverwerking. Daarom ook vragen deze ouders de instelling waar hun dochter is behandeld, hoe het zover heeft kunnen komen. Ze willen er meer van begrijpen. De instelling weigert dit op grond van het beroepsgeheim.

Het beroepsgeheim is een belangrijke pijler in onze gezondheidszorg. Het zou echter te kort door de bocht zijn om louter af te vinken: ‘beroepsgeheim ja’ en vervolgens de casus te sluiten en de deur voor de nabestaanden dicht te gooien. Toch gebeurt dat (te) vaak. Maar niet uit kwade wil; hulpverleners denken door het beroepsgeheim niet anders te kunnen. Dat lijkt mij een misverstand. Het is een te rigide interpretatie van en omgang met het beroepsgeheim.

Het beroepsgeheim mag geen dooddoener zijn. En hoeft dat ook niet te zijn. Ook al is inzage in het medisch dossier uitgesloten, er kan – al naar gelang de situatie en ter beoordeling van de hulpverlener – best informatie worden gegeven over de toedracht, de behandeling en de omstandigheden die tot de suïcide hebben geleid. Er kan altijd een gesprek worden gevoerd met de nabestaanden, waarin ook wordt uitgelegd wat níet kan worden gedeeld en wat de overwegingen daarbij zijn. Doel van dat gesprek is de zorg aan hen; niet de uitleg van het beroepsgeheim. De MDR-richtlijn ‘Diagnostiek en Behandeling van Suïcidaal Gedrag’ beveelt aan om binnen de grenzen van het beroepsgeheim de nabestaanden alle informatie te geven die het begrijpen van de suïcide vergemakkelijkt.

Kennelijk heeft ook de instelling uit deze casus afwegingen gemaakt en besloten dat er wél gedeeld kan worden met de physician assistant (PA), ook al geldt het beroepsgeheim evenzeer voor informatieverstrekking aan hem. Hij is wél geïnformeerd over toedracht en voorgeschiedenis. Een overweging zou kunnen zijn dat de PA een rol kan spelen in de ondersteuning van de ouders. In ieder geval kan hij zijn eigen afwegingen maken, zeker de ouders informeren en zorg bieden. Maar ook de hulpverleners van de instelling kunnen en moeten dat doen.

Annemarie-smilde

Jurist
Annemarie Smilde

In mijn beschouwing beperk ik mij tot de vraag welke ruimte behandelaars, in het bijzonder de physician assistant, hebben voor het verstrekken van informatie aan nabestaanden na een suïcide van hun patiënt. Volgens de Multidisciplinaire richtlijn diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag moeten behandelaars na een suïcide nabestaanden zo snel mogelijk inlichten en opvang en een gesprek organiseren. De richtlijn bepaalt dat de behandelaars per geval moeten afwegen welke informatie zij mogen verstrekken aan de nabestaanden en gaat hierbij uit van afstemming tussen de ggz en de huisarts.

Welke ruimte biedt de wet- en regelgeving voor doorbreking van het beroepsgeheim? Volgens de WGBO, de jurisprudentie en de richtlijnen van de KNMG inzake het omgaan met medische gegevens (waar ook de richtlijn naar verwijst) mag een arts zijn beroepsgeheim jegens een overleden patiënt alleen doorbreken bij een wettelijke verplichting, in geval van toestemming van de patiënt bij leven, als hij toestemming van de patiënt mag veronderstellen en in zeer uitzonderlijke gevallen bij conflicterende plichten en zwaarwegende belangen. De vraag is of de informatieplicht in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) die een zorgaanbieder bij incidenten heeft tegenover nabestaanden het beroepsgeheim opzijzet. Het is niet duidelijk of dit de bedoeling is van de wetgever*. Als hiervan sprake is, dan biedt deze bepaling alleen een wettelijke grondslag voor het informeren over de toedracht van een incident en niet over de behandeling.

De richtlijnen van de KNMG zijn analoog van toepassing op de PA. Volgens deze richtlijnen mag hij alleen toestemming van patiënt veronderstellen als hij hiervoor concrete aanwijzingen heeft. Hij kan net als de ggz-behandelaar in de instelling niet om het verbod van patiënt heen. De PA moet verder aan de hand van de richtlijnen nagaan of er sprake is van dreigende ernstige (gezondheids)schade of zwaarwegende belangen die doorbreking van het beroepsgeheim kunnen rechtvaardigen. Rouwverwerking, hoe belangrijk ook, is hiervoor onvoldoende.

Mijn advies aan de PA is samen met de ggz-behandelaar en eventueel de huisarts een gesprek met de ouders te voeren, waarin zij uitleggen welke vragen zij wel en niet kunnen beantwoorden vanwege hun beroepsgeheim en op basis van welke overwegingen. Het beroepsgeheim laat wel toe de ouders nader te informeren over de toedracht van de suïcide en om de behandelaars te laten toelichten wat hun verantwoordelijkheid was bij de behandeling van patiënt, zo nodig in algemene termen.

* De toelichting van de Minister op de Wkkgz tijdens de parlementaire behandeling biedt hierover geen uitsluitsel. Wat er ook van zij, de informatieplicht in de Wkkgz ziet alleen op de toedracht van het incident en eventuele door de zorgaanbieder te treffen maatregelen naar aanleiding van het incident. Tijdens de behandeling van de Wkkgz heeft de Minister wel aangekondigd om het recht van nabestaanden op inzage in het dossier wettelijk te regelen door een  aanpassing van de WGBO. Dit wetsvoorstel ligt inmiddels klaar.