Trends in de praktijk

Van de bolpoottafel als bureau en de gemarmerde marmoleumvloer in de wachtkamer tot de monumentale kerk als gezondheidscentrum: niet alleen ons woonhuis, maar ook het interieur van de praktijk is aan trends onderhevig. Een kijkje door de jaren heen.

Tekst: Jordy de Reus Beeld: Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad

Huisartsenpraktijk 1900-1920

‘Villa met praktijkruimte, gebouwd in 1906 in opdracht van dokter Th. Brummer, in een overgangsarchitectuur met chaletstijl elementen, voorzien van een zeer fraaie vormgeving en rijke detaillering’, zo omschrijft de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed een monumentale villa in de provincie Groningen. Vanaf 1890 tot het begin van de twintigste eeuw werden in heel Nederland dergelijke statige huizen gebouwd, waar op verzoek van de opdracht gevende dokter direct een praktijkruimte in werd opgenomen.

Jordy de Reus is architectonisch ontwerper en geeft in Arts en Auto woonadvies. Tijdens Arts en Auto LIVE geeft hij advies over renovatievragen. Wilt u hier gebruik van maken, neem dan foto’s en/of een plattegrond van uw woning of praktijk mee.

In dit nieuwe type huis werden – met betaalbaar vakmanschap – kosten noch moeite in architectuur en interieur gespaard. Huiselijkheid stond voorop, ook in de praktijk: van de bolpoottafel met bijpassende klassieke stoelen, een schemerlamp op een dressoir tot zelfs een dik Perzisch kleed op het bureaublad. Alleen de met vakliteratuur gevulde boekenkast verraadde dat men zich niet in de eetkamer van de familie bevond, maar toch echt op consult was. Waren de woonvertrekken voorzien van een eiken parketvloer, grote kans dat dit consequent in de praktijkruimte werd doorgevoerd. Verwonderlijk is dit niet, de praktijk stond immers in verbinding met het privégedeelte van het woonhuis. Een typische plattegrond uit die tijd bevatte een vestibule, een eerste entree tussen hal en tuin, waarna een grotere hal volgde. Vanuit deze hal met trap werden de omliggende ruimtes – van zitkamer, keuken tot de praktijk – ontsloten.

Tandheelkundige polikliniek in Amsterdam, 1933

Dit type praktijk, met een minimale grens tussen praktijk en privévertrekken, werd voor voornamelijk huisartsen en tandartsen tot ver in de jaren dertig gebouwd. De dreigende politieke veranderingen en de Tweede Wereldoorlog brachten deze ontwikkeling tot stilstand.

Licht, ruimte en eenvoud

Waar de jaren vijftig in het teken stonden van de wederopbouw, kreeg wonen in de jaren zestig een andere betekenis. Het vertrouwde, zware eikenhouten meubilair kon volgens Stichting Goed Wonen het best worden vervangen, want licht, ruimte en eenvoud waren de elementen waaruit een interieur diende te worden opgebouwd.

Ook de architectuur, en daarmee het interieur, van de destijds nieuw te bouwen praktijkwoningen veranderde ingrijpend. Voornamelijk beïnvloed door het moderne bouwen van de Nederlandse architect Gerrit Rietveld, ontwierp men sobere, lichte woonhuizen, waar de praktijk – anders dan voorheen – apart ontsloten werd en vaak uit een aansluitende vleugel bestond. De overvolle hal tijdens spreekuren behoorde hiermee tot het verleden; keurige en strak op een rij staande stoelen van ontwerpers als het Amerikaanse duo Eames of Nederlander Cees Braakman boden op een esthetisch verantwoorde manier plek in een ruime wachtkamer.

Houten vloeren en kamerbreed tapijt waren vanwege uitstraling en hygiëne passé en maakten plaats voor het moderne en kleurrijke linoleum, slechts om de paar meter onderbroken door een gelast naadje. De gedecoreerde en van literatuur uitpuilende boekenkast vond een vervanger in een strak wandplankje met enkel het hoognodige erop. De plek van het mahoniehouten en met leer ingelegde bureau werd ingenomen door een eenvoudig model dat voorzien was van verchroomde pootjes en een kunststof blad.

‘Terug naar de natuur’ was de kreet in de jaren zeventig: denk aan houten schrootjes, wanden en vloeren van kurk, de zitkuil en met aan de natuur onttrokken kleuren als groen, bruin en oranje. Trends die aan het interieur van de praktijk vrijwel voorbij zijn gegaan. Dat is toe te schrijven aan het hoge aantal in het voorgaande decennium opgeleverde praktijken, gecombineerd met een kleine aanwas nieuwe generatie praktijkhouders, onder meer door het destijds onder de jeugd aanstekelijke gedachtegoed dat een jaar of drie langer over de studie doen geen probleem was.

Betonsteen en marmoleum

In de jaren tachtig verstevigde de groepspraktijk zijn positie. Starters op de arbeidsmarkt zonder het budget om een huis met praktijk te kunnen bemachtigen én degenen die al een tijd het vak aan huis uitoefenden maar werk en privé liever gescheiden hielden, vonden elkaar in deze nieuwe typologie van de praktijk. Hoewel door heel Nederland gebouwd, kende de in deze jaren gebouwde groepspraktijk een over het algemeen universele uitstraling. In de jaren tachtig stonden de huizenprijzen onder druk, hypotheekrentes van 12 tot zelfs 14 procent waren geen uitzondering. Vandaar dat in de bouw snel en kostenefficiënt bouwen het credo was. De wanden stuken, waarom zou men? Zowel de gevels als de wanden van het interieur werden opgebouwd uit het goedkope grijze betonsteen, en dat voldeed onafgewerkt prima.

De praktijkassistente kreeg een grotere, zichtbare plek in het interieur. De functie van balie bestond nu niet meer enkel uit een hoekkastje met telefoon en een locker voor administratie, maar werd, samen met de wachtkamer, het centrale punt. Het kleurenpalet betrof, naast het in overvloed aanwezige schoon metselwerk van betonsteen, vooral zwart en wit. Eventueel ondersteund door één primaire kleur, zoals felrode deurklinken of tafelpoten. Ook hun intrede deden de gemarmerde marmoleumvloer en het systeemplafond  – ruim dertig jaar na dato nog steeds favoriet binnen de hedendaagse praktijkinrichting. Bij zwaarder gebruik van de ruimte werd gekozen voor een witte plavuizentegel van 40 bij 40 centimeter, gelegd met een flinke zwarte voeg.

Van wit naar warm

Interieurbouwer Ad van Nieuwland heeft in het zuiden van Nederland heel wat praktijken ingericht. “Houtfineer als palissander was destijds uit den boze, alles moest uit wit HPL (een kunststof afwerking, red.) bestaan. De balie werd, als het even kon, voorzien van een glazen schotje. In die afscheiding kwam een schuifraampje met een roestvrijstalen geleidingsrail, zodat er telefonisch gesprekken konden worden gevoerd zonder dat de complete wachtkamer meeluisterde. Bureaus maakten we steeds vaker in een U-opstelling, waarbij het blad zowel voor, naast als achter de arts doorliep. Deze opstelling bleef in de jaren negentig onveranderd, maar opdrachtgevers vroegen bij renovaties of nieuwbouw wel om een andere sfeer. Het in wit uitgevoerde meubilair was niet langer gewenst, men wilde een oranje of geel getinte HPL-imitatie van beuken of berken. Er was duidelijk meer behoefte aan warmte, wat ook werd doorgevoerd in het schilderwerk. Wanden kregen vliesbehang met een structuurtje en werden geverfd in aardetinten zoals terracotta.”

Unieke pareltjes

Een tot zorgcentrum gerenoveerde kerk, een voormalig bankgebouw of een nieuwgebouwde transparante glazen doos in een groen landschap? Vanaf het begin van dit millennium lijken er steeds meer unieke pareltjes onder de praktijken te ontstaan. Na jaren van uitwisselbare interieurs, hebben deze bijzondere projecten toch nog iets gemeen: eigenheid en beleving. Een tot luchthaven verbouwde tandartspraktijk in Nijmegen bijvoorbeeld, speciaal voor jeugdige patiënten, waar zelfs de cockpit niet ontbreekt. Of een door architect Theo Reitsema tot zorgcentrum getransformeerde kerk in Borne, waar de beleving van het monumentale bouwwerk nog altijd overeind blijft.

Ook de ontwerpers van Buro/S Architects realiseren bijzondere interieurs waar over ieder detail is nagedacht en waar men zich eerder in een futuristisch museum of galerie waant dan in een praktijk. Het Amsterdamse Studio Prototype ontwierp op zijn beurt een waar hoogstandje voor een orthodontiepraktijk in Wijchen. “De opdrachtgever wilde geen standaardpraktijk. We zijn dan ook samen gaan kijken naar fraaie voorbeelden, zoals een nieuwe praktijk in Venlo waar men vanuit de behandelkamers zicht had op een groene binnentuin,” aldus Jeroen Spee, hoofdarchitect van het project. “Uiteindelijk is de verbinding met het omringende landschap een van de uitgangspunten voor dit ontwerp geworden. Geen hokkerige, benauwende opzet, maar heel transparant. De behandelruimtes zijn daarom ook van elkaar gescheiden door middel van een gematteerde glazen wand. Voor operationeel werk is er uiteraard een afgesloten ruimte, maar over het algemeen ervaart men openheid, veel daglicht en de omgeving. Om aan de voorwaarden en regelgeving rondom hygiëne te voldoen, is er in de basis een meer klinische sfeer door bijvoorbeeld het gebruik van een gietvloer. Grotendeels en waar mogelijk staat daar het warmere houtfineer tegenover, om een prettige atmosfeer te bewerkstelligen en het wellicht een meer Scandinavisch gevoel mee te geven. Wat ons betreft een voorbeeld van hoe het ook anders kan en we hopen dat het inspireert.”