AP: verwerking persoonsgegevens in 20% wetgeving onvoldoende beschermd

In bijna 20 procent van de in 2021 door de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) beoordeelde wetgeving waarin verwerking van persoonsgegevens aan de orde was, was er sprake van onvoldoende bescherming of was onduidelijk hoe de bescherming was afgedekt. Dit blijkt uit het op 19 april jl. overhandigde jaarverslag 2021 aan de Tweede Kamer. 

Tekst: Katrijn van Berkum en Timo van Oosterhout 

Ook ontbrak in een aantal gevallen de onderbouwing van het kabinet waarom het verwerken van persoonsgegevens noodzakelijk zou zijn. De AP heeft de indruk dat het kabinet wetsvoorstellen vaak ziet als een vrijbrief voor de overheid om bijna ongelimiteerd persoonsgegevens van burgers te verzamelen, op te slaan of te verspreiden. Hieruit volgt dat de AP het kabinet in 2021 maar liefst 95 keer adviseerde over wetgeving waarin verwerking van persoonsgegevens aan de orde was. In 18 gevallen adviseerde de AP een wetsvoorstel flink aan te passen of niet aan te bieden aan de Tweede Kamer. In andere gevallen waren er enkele opmerkingen. 

Het gebruiken van persoonsgegevens, zonder toestemming van de mensen om wie het gaat, mag en kan -onder voorwaarden- alleen als het gebruik echt noodzakelijk is in het algemeen belang, het niet om meer gegevens gaat dan voor het doel noodzakelijk is en de inbreuk op de privacy duidelijk en nauwkeurig is omschreven.

Senior jurist Katrijn van Berkum en advocaat Timo van Oosterhout zijn werkzaam bij stichting VvAA Rechtsbijstand