Arthuro

Iris Hannema

 

Iris Hannema (1985, Haarlem) is reisschrijver. Ze bezocht in haar eentje meer dan 100 landen en publiceerde drie reisboeken: Miss yellow hair, hello! (2014), Het bitterzoete paradijs (2016) en haar meest recente Reizen volgens Hannema. Over reislust, ontwortelen en thuiskomen, dat dit voorjaar verscheen.
Tekst: Iris Hannema | Beeld: Ernie Enkelaar

 

Op het bord aan de palmboom staat infirmerie gepenseeld. Het slingerpad naar de oceaankant van het atol Fakarava ligt bezaaid met keitjes en messcherpe brokstukjes versteend koraal. De wachtruimte van de ziekenboeg is buiten, er zijn kerkbanken neergezet, er worden geen afspraken aangenomen. Wie het eerst komt…

Eergisterochtend was er voorrang voor een tonijnvisser die zijn eigen vishaak in zijn wang had gekregen waarna de verzwaring, een eigen creatie van lood, tegen zijn kaak aan gesmakt was. Zijn kaak bleek op drie plekken gebroken. Privacy of wachtkamerstilte bestaat hier niet, ieders medische situatie wordt in groepsverband uitgebreid bediscussieerd.

De dagelijkse routine bij de openbare ziekenboeg ken ik ondertussen; ik was wekenlang vaste gast op het spreekuur van de verpleger uit Benin. Hoe Arthuro in Frans-Polynesië terecht was gekomen, werd mij – ook na weken zijn patiënt te zijn geweest – niet duidelijk (voor de liefde dacht ik ervan te kunnen maken; een Française, een chirurg op Tahiti, maar waarom werkte hij dan op een atol?).

Hoe dan ook, hij is de enige verpleger op het Polynesische atol met achthonderdvijftig bewoners zonder dokter, tandarts of apotheek. Dit geeft je twee opties: bij Arthuro’s ziekenboeg pijnstillers (Dolipran) en een antibioticakuur (Augmentin) ophalen of vliegen naar het hoofdeiland Tahiti, waar wel een ziekenhuis is. Bij nood wordt de helikopter opgeroepen, die doet er heen en terug zo’n zes uur over, mits ze niet elders van de radar verdwenen zeilboten of niet boven water gekomen duikers aan het zoeken zijn.

Arthuro behandelde een gapend gat ter grootte van een twee euro muntstuk in mijn bovenbeen, gebutst en uitgeslepen door de staphylococcus bacterie. Iedere dag ontdeed hij de wond van fibrine, maakte het schoon en verbond het, dit alles met één hand, in de andere had hij altijd een stroomtennisracket dat hij continu langs zijn onderbenen bewoog, muggen elektrocuterend. Na een wondverschoningssessie moest de vloer aangeveegd worden.

Het was mijn zoveelste staphylococcus en het verpestte onderhand het plezier in mijn verblijf in het paradijs. Een Nederlandse arts tipte me per mail om lakens, kleding en duikwetsuits te wassen op 90 graden en om een huidkweek te laten maken zodat ik gerichter antibiotica voorgeschreven kon krijgen. Ik durfde hem niet te antwoorden dat we hier alleen op de hand wassen en dat de verpleger met slechts één hand werkte, want wie in het paradijs woont, moet niet zeuren.

Tot ik dat wel deed, in een apotheek in Papeete, de hoofdstad van Tahiti. Het was er vriesvakkoud door de airco, en de vrouw achter de balie vroeg of ze mij kon helpen. Ik hoop het echt, antwoordde ik, en ik liep leeg, vertelde haar alles: dat ik veranderde in een geperforeerd mens en dat ik er door die kloterige staphylococcus aan begon te denken om naar huis terug te keren.

Ze overhandigde me een klein flesje Tea Tree olie en adviseerde me drie druppels per dag in te nemen, met honing of wat suiker.

Daarmee verloste ze mij van de staphylococcus bacterie. En van Arthuro.