‘Beter een kippenhok dan een apenrots’

De tijd dat de geneeskunde een mannenbolwerk was waar het testosteron door de gangen gierde, is voorgoed voorbij. Bijna 70 procent van de studenten geneeskunde is nu vrouw. Hoe voelen de mannen zich daar eigenlijk onder?

Tekst: Aliëte Jonkers | Beeld Tamar Smit

De invasie van vrouwen in het mannelijk domein is in het licht van de historie betrekkelijk nieuw. In het stenen, bronzen en ijzeren tijdperk, zo schrijft de Britse journalist en documentairemaker Tim Samuels in zijn boek Waar is mijn speer – de rol van de man in de 21e eeuw, brachten mannen het grootste deel van hun tijd door met mannen. Op school, op het werk en in hun vrije tijd.

Wee de man, verzucht Samuels in het boek. Want nu zijn vrouwen overal. Voor een deel is dat echte vooruitgang, erkent hij. Maar hij vindt het ook een verlies. Typisch mannelijke karakteristieken als hoffelijkheid en vechtlust zijn niet meer welkom op de werkvloer. De getemde man heeft bovendien steeds minder gelegenheid om mannenvriendschappen op te bouwen. Ook de samenwerking tussen mannen noemt Samuels uniek. Dat was in de oertijd al zo: om grote beesten te kunnen doden, moest je gezamenlijk optrekken. Mannen, kortom, hebben elkaar nodig. ‘Samen al pissend de vlammen doven, terwijl de holenvrouwen met ontzag voor onze beheersing van de natuur toekeken, dat zou volgens Freud weleens de grondslag voor onze kameraadschap kunnen zijn.’

Zorgt de feminisering in de geneeskunde ook voor frustratie? Dierenarts Lodewijk Kamps van Sterkliniek Dierenartsen Hillegom/Nieuw-Vennep heeft daar absoluut geen last van. Integendeel: tussen de veertien medewerkers in zijn praktijk – allen vrouwen, onder wie vijf dierenartsen – voelt hij zich als een vis in het water. Hij is, zegt hij, de mannelijke spits in een vrouwelijk voetbalelftal die alle ballen perfect krijgt aangespeeld. “Het is een fijne uitzonderingspositie. Als ik een Bordeauxdog van 65 kg van de tafel til, kan ik mijn fysieke suprematie etaleren. Zulke acties wekken vaak bewondering én afschuw op: ‘Pas toch op! We kunnen hier niet zonder jou!’ En als er een lamp of apparaat kapot is, roepen de dames hier: ‘We moeten een nieuwe bestellen.’ Laat mij er eerst maar even naar kijken, zeg ik dan. En als het dan lukt om ietste repareren, krijg ik bewonderende reacties. Heel prettig.”

Apotheker Martijn Prakke vindt de feminisering van de geneeskunde ‘te gek’. “In de apotheek werk ik met vijf assistentes. En thuis zijn er ook vijf vrouwen om me heen, want ik heb vier dochters. Grappig trouwens: toen ik mijn vierde dochter kreeg, dacht ik direct: yeah, nóg een dochter! Sommige mensen zeiden: ‘Goh, het zou leuk geweest zijn als het deze keer een jongen was.’ Die gedachte had ik helemaal niet, hoewel een jongen natuurlijk ook welkom was geweest.”

Prakke zou de samenstelling van zijn team niet willen veranderen. Maar net als Tim Samuels van Waar is mijn speer heeft hij wel zijn mannelijke vriendenclub nodig. “Waar we dan over praten? Vrouwen en auto’s! Ja, haha, heel stereotiep.”

Heel competitief

Sommige mannelijke artsen kijken huiverend terug naar vroegere tijden, toen hun seksegenoten de scepter zwaaiden in de geneeskunde. Revalidatiearts Peter Muitjens vond de mannenmaatschap in zijn tijd als anios, twintig jaar geleden, ‘heel heftig’: “Het testosteron stroomde onder de deuren door. De sfeer was heel competitief. Openlijke ruzies waren er niet, wel spanningen.”

Robert Bleichrodt, tot 2012 hoogleraar abdominale chirurgie aan het Radboud-umc en nu als chirurg werkzaam in Zambia, herinnert zich die tijd ook nog goed. Zo rond 1980 waren er bijna geen vrouwelijke chirurgen. Er was een enorme weerstand in maatschappen om vrouwen aan te nemen. Die konden zwanger worden en geen beslissingen nemen. “Ik heb veel vrouwen aangenomen. De besprekingen zijn nu beter, de zorg is empathischer. Maar – en dat is voor sommige artsen een pijnpunt – vrouwen lijken over het algemeen niet zo geïnteresseerd in de financiën.” Vroeger waren er maatschappen die goudgeld verdienden, gaat Bleichrodt verder. “Die liepen als een trein. Vrouwen lijken meer voor de kwaliteit van zorg te gaan en minder voor de omzet.” Hij vindt dat een goede zaak: “Bedrijfsefficiency gaat hoe dan ook ten koste van de aandacht voor de patiënt. De menselijke factor is belangrijker geworden. Je zou kunnen zeggen: de mannelijke arts feminiseert óók!”

Longarts Remco Djamin, werkzaam in het Amphia Ziekenhuis in Breda, herkent dat. Tot voor kort bestond zijn vakgroep uit tien mannelijke longartsen. Onlangs is er een vrouwelijke longarts bij gekomen. De balans werd direct beter, vertelt hij: “Voor die tijd konden we nog weleens machismo gedrag vertonen.” Met zelfspot: “Als er gedoe was, intern of met de buitenwereld, werd er weleens met een vuist op de tafel geslagen. Dan brulden we dat we boze brieven gingen schrijven. Dat is nu anders. Het is alsof er opeens een breder palet aan oplossingen op tafel ligt.”

‘De menselijke factor is belangrijker geworden. Je zou kunnen zeggen: de mannelijke arts feminiseert óók!’

Is de werkwijze van vrouwelijke artsen anders? Nauwelijks, zeggen de meeste mannen. Toch merken ze op dat vrouwen een ‘groot verantwoordelijkheidsgevoel’ hebben en ‘nogal precies en gedetailleerd’ werken. Radioloog Alexander van Straten heeft die ervaring ook: “Als een vrouwelijke arts een CT aanvraagt, schrijft ze veel informatie op over de patiënt. Mannen zijn daar een stuk nonchalanter in.” Drie jaar geleden verruilde Van Straten zijn Nederlandse maatschapsplek voor een carrière en leven op Aruba. De zorg is daar hiërarchischer, vertelt hij. Van de tachtig specialisten in het ziekenhuis is 58 man. Zelf zit hij in een maatschap met alleen mannen. Deze zomer komt daar een vrouw bij. “Ook prima. Ik zou niet in een groep met alleen vrouwen willen werken. Mannen zijn over het algemeen wat pragmatischer. Dat vind ik prettig, want zo ben ik zelf ook.”

Lang genoeg gedomineerd

Kinderarts Carsten Lincke van het Erasmus MC in Rotterdam zou het prima vinden als vrouwen straks ver in de meerderheid zijn. Of het dan geen kippenhok wordt? “Welnee. Trouwens: beter een kippenhok dan een apenrots.” Mannen hebben de geneeskunde lang genoeg gedomineerd, vindt hij. “Laatdie vrouwen nu maar het voortouw nemen. Ze moeten juist nog veel meer leidinggevende posities bekleden. Die balans is nog scheef.”

Maar daar is niet iedereen het mee eens, zoals neurochirurg Pieter van Eijsden, werkzaam in UMC Utrecht. Hij vindt de feminisering van de vrouw een zegen, maar ‘ergert zich kapot aan de geforceerde manier waarop vrouwen naar de top moeten’. “Mijn vriendin is huisarts en die krijg je met geen stok naar de top. Die wil gewoon lekker voor haar patiënten zorgen en voor de kinderen. Dat wordt haar bijna kwalijk genomen.”

Al het wetenschappelijk bewijs laat ook zien dat mannen en vrouwen een heel verschillende motivatie hebben, zegt Van Eijsden, en dat mannen veel competitiever zijn. “Zo is er ook goed wetenschappelijk bewijs uit ruim vijftig landen dat hoe egalitairder een samenleving is, hoe meer vrouwen kiezen voor traditionele vrouwenberoepen. Wil je een andere samenstelling in de top van een organisatie, dan moet je de organisatie veranderen. En niet de vrouwen naar de top helpen die het beste passen bij de huidige organisatiestructuur. Laten we veel meer kijken naar eigenschappen, in plaats van naar sekse.”

Hoogleraar: ’70 procent vrouwen? Geen probleem’

Wat is waar van de verhalen dat vrouwen in de geneeskunde empathischer en preciezer zijn? En is het echt zo dat mannen in maatschappen meer op omzet sturen? Helaas zijn daar, volgens prof. dr. Toine Lagro-Janssen, hoogleraar Gender & Women’s Health aan het Radboudumc in Nijmegen, geen studies naar gedaan. “Maar ik vind de vragen zó leuk”, roept ze uit, “ik ga er onderzoek naar doen!”

Ze zegt dat wel bekend is dat vrouwen tijdens het spreekuur communicatief beter aansluiten bij de vragen van patiënten en meer vanuit een biopsychosociale context werken. “Een man zal na een knieoperatie eerder vragen: hoe functioneert uw knie nu? Een vrouw sluit meer aan bij het perspectief van de patiënt. Zij zal eerder vragen of die tevreden is met de operatie.”

Wat haar opvalt, is dat de meeste mannelijke artsen empathie een vrouwelijke eigenschap vinden. “Alsof er een soft luchtje aan het woord zit. Maar empathie is niet soft, of feminien! De arts als communicator is een van de zeven competentiegebieden volgens de CanMeds. Empathie wordt daarin nadrukkelijk genoemd. Het is dus een vaardigheid die elke goede dokter moet hebben, of je nu man of vrouw bent.”

Empathie is niet soft, of feminien!

Artsenorganisatie KNMG waarschuwde er in 2011 voor dat de feminisering het artsenvak geen goed deed. Voor mannen zou het minder aantrekkelijk worden om geneeskunde te gaan studeren, omdat het een vrouwenvak is geworden. Toine Lagro-Janssen: “Dat is devaluerend. Waarom zou het artsenvak aan status inboeten als er meer vrouwen dan mannen zijn? Daarmee komen we juist tegemoet aan de voorkeuren van de vrouwelijke patiënt. Ik hoop dat het 70 procent vrouwen en 30 procent mannen blijft.”

 

Één Reactie Reageer zelf

  1. Aad Cense
    Geplaatst op 14 maart 2017 om 15:50 | Permalink

    Het lijkt me juist er vanuit te gaan dat gemengde samenstelling vaak te prefereren valt boven bolwerken, al is het waar, wanneer, en hoe, nog niet zo duidelijk.

    Maar pikordes zijn niet voorbehouden aan mannen; ze zijn het bijproduct van seksuele voortplanting en dat evolutionaire gegeven dragen beide geslachten in zich al geven ze er misschien wat verschillende vorm aan. Als hondenliefhebber kan ik zelfs uit eigen ervaring het gegeven bevestigen dat twee teefjes bloediger strijd plegen te leveren dan twee reuen 😉