Franse liefde

Hij is Franser dan Frans, boekte vele successen, verdween twintig jaar van het autotoneel en is nu terug. Als herboren. Autojournalist Bart van den Acker werd (en wordt nog steeds) helemaal warm van de Renault-Alpine.

Tekst: Bart van den Acker | Beeld: Alpine, Ronald Bouwmeester, auteur

In het Normandische, door de oorlog vrijwel compleet verwoeste stadje Dieppe brengt de jonge Fransman Jean Rédélé in 1946 de Renaultgarage van zijn vader opnieuw tot leven. Hét succesnummer van Renault in de naoorlogse jaren is de kleine 4CV en ook de 24-jarige Rédélé profiteert van dit succes. Niet alleen commercieel, maar ook sportief. De jonge Jean kan het zich veroorloven opgevoerde 4CV’s in te zetten in races en rally’s op heel hoog niveau. Met het nodige succes. Maar de ambitieuze Fransman wil méér. Hij broedt op een plan om een kleine sportwagen te bouwen, met als uitgangspunt de techniek van de 4CV. In 1955 leidt zijn idee tot de kleinschalige productie van de A106: het eerste model van Alpine. Het sportwagentje heeft een carrosserie van het voor die tijd zeer moderne polyester. De naam Alpine verwijst naar de Coupe des Alpes die Jean Rédélé een jaar daarvoor met co-equipier Louis Pons in de gelijknamige Franse rally heeft gewonnen.

Het jonge sportwagenmerk volgt de ontwikkelingen bij Renault op de voet. De latere Renault Dauphine wordt de basis voor de Alpine A108 en de Renault 8 voor de A110, het model waarmee Alpine in de jaren zestig en zeventig grote faam verwerft. De A110 ontpopt zich tot een topauto in de rallysport. Cruciaal blijkt de overwinning van de equipe Andruet/Biche in de Rallye Monte Carlo 1973. Het is de eerste rally voor het dan net geïntroduceerde wereldkampioenschap dat Alpine prompt ook binnenhaalt.

Parallel aan die rallysuccessen streeft Jean Rédélé – die dan nog steeds de scepter zwaait bij het merk – ook in de racerij naar succes. In 1978 is het raak: Renault Alpine wint dé wedstrijd van de Franse autosport: de 24 uren van Le Mans. Heel Frankrijk heeft het merk dan al in de armen gesloten.

En niet alleen heel Frankrijk. Vooral die overwinning in Monte Carlo in 1973 maakte op mij als autogekke tiener diepe indruk. Ook omdat naast rijder Andruet een aantrekkelijke blondine zat met het vreemde pseudoniem ‘Biche’, die als navigatrice de hele internationale rallytop achter zich wist te houden.

Klik op de afbeelding voor meer foto’s

Maar niet alleen die navigatrice, ook de A110 vond ik bloedmooi. Op dat moment nam ik me voor: óóit moest ik ’m hebben. Dat was niet simpel, want Renault Nederland importeerde geen Alpines.

Het is me gelukt. Bijna dertig was ik toen ik van mijn laatste centen plus duizend geleende guldens van vader míjn eigen A110 kocht. Vanaf dag één doopte ik haar ‘Biche’, als eerbetoon aan die jongedame. Ik reed ritjes en rally’s, knalde volgas over circuits en beklom de hoogste Alpenpassen met mijn eigen Biche.

Vooral in Frankrijk kreeg ik vaak – letterlijk – de handen op elkaar wanneer ik door een dorp of langs een terras reed. Wat ik ook kreeg, meer dan eens: een garagerekening met een hoger totaalbedrag dan dat op mijn maandelijkse salarisstrookje. En dan heb ik het nog niet over een complete restauratie en een totale motorrevisie die mijn Biche moest ondergaan. Maar het maakte niet uit, ik genoot door dik en dun en voor de liefde heeft een mens veel over.

Twintig jaar heb ik mijn Alpine in bezit gehad; 120.000 kilometer heb ik met haar gereden. Toen had ik het boek wel uit en heb ik Biche overgedaan aan een Spanjaard. Eind 2012 mocht ik ‘de echte’ ontmoeten. Ze begreep vermoedelijk niks van mijn enthousiasme, maar ja, nu was ik 54 en zij 64. Ik koester nog steeds de handtekening die ik toen van haar kreeg.

Nieuwe verbintenis

Hoe het verder is gelopen met Jean Rédélé? Zakelijk gezien ging het hem tot begin jaren zeventig voor de wind dankzij de verkoop van licenties aan diverse landen (Spanje, Mexico, Brazilië, Bulgarije), waar vervolgens ook Alpines mochten worden gebouwd. Zijn banden met Renault waren en bleven zeer sterk. Toen de verkoop in 1973 door de oliecrisis instortte, werd duidelijk hoe belangrijk die verbintenis was. De grote fabrikant nam de kleine over; het merk heette voortaan officieel Renault-Alpine, met een streepje ertussen, als extra bevestiging van de nieuwe verbintenis.

De wens om grotere, exclusieve sportauto’s te bouwen was er al eerder. Naast de kleine en wendbare A110 kwam er de grotere A310. In de jaren tachtig en negentig evolueerde het merk met de grote V6 GT/Turbo en ten slotte de A610.

Maar in die nieuwe modellen werd het oorspronkelijke succesnummer steeds minder herkenbaar. Ze bleken ook niet rendabel. En dus ging de stekker eruit. Extra pijnlijk was het voor de fans van het merk dat eind jaren negentig de Renault Sport Spider, een auto die wél herkenbaar was als een nakomeling van de A110, geen Alpine mocht heten.

Wedergeboorte

In Frankrijk gonsden al jaren de geruchten rond ‘een nieuwe Alpine’. Eindelijk is die er. Met de naam A110 haakt Alpine heel nadrukkelijk aan bij het roemruchte verleden. Details herinneren ook aan dat model, maar de nieuweling is groter en van aluminium, niet van polyester. Het is een pure tweezitter, met een 1,8 liter turbomotor, 185 kW/252 pk sterk; een bloedsnelle en gepolijste sportwagen, maar dan helemaal anno nu. Na de reeds uitverkochte (!) ‘Première Edition’ (Ä 67.500,-) zijn er nu ook de uitvoeringen Pure en Légende, plus een GT4-raceversie. De prijzen van deze laatste edities staan nog niet vast. Concrete plannen voor volgende modellen zijn niet bekend, maar dát die er komen, staat vast.

Of ik, net als toen, diep in de buidel zal tasten om er weer een te kopen? Nog afgezien van de prijs acht ik die kans zeer klein. Voor mij is en blijft er maar één Alpine: mijn Biche.