Kerst met Henk

Kerst met Henk
Tekst: Mieke Kerkhof

Henk woonde in een bosrijke buurt, ergens in Brabant. Zijn huis was een tweekappertje, met een postzegeltje voor en een zakdoekje achter. Hij was getrouwd met een vrouw die vanwege een chronische luchtwegaandoening opgenomen was in een naburig verpleeghuis. Twee keer per dag fietste hij ernaartoe op een fiets met lekke banden. Je kon daar goed eten voor een habbekrats. Henk was niet zo veeleisend. De rest van de dag sleet hij thuis met de deuren op slot en de gordijnen dicht. Iedereen in zijn omgeving hield afstand, zijn aanwezigheid in de laan was aanleiding voor opgetrokken schouders en unanieme afkeer. Hij verspreidde een nare lichaamsgeur en deed rare dingen. Nooit verscheen er vuilnis op straat. Zijn allesbrander verzwolg zijn afval, de rook ervan kleurde de lucht groengeel.

Henk deelde zijn oprit met twee vrouwen, die beiden werkzaam waren in de zorg. In het begin moest hij niets van ze hebben. Hij rochelde weleens en blies de fluim met grote vaart op het stoepje bij hun voordeur. Vanaf zijn vijfde had hij geen ouders meer en hij wist zich geen raad met zorgzame mensen. Hij redde zichzelf wel. Dat deed hij immers zijn hele leven al. Hij was van kostschool naar kostschool gegaan en had in zijn jonge jaren diverse paters ontmoet, zeker ook fysiek, dat laatste altijd ongewild.

Vanaf zijn vijfde had hij geen ouders meer en hij wist zich geen raad met zorgzame mensen

In een regenachtige nacht overleed zijn vrouw. Henk was gebeld en spoedde zich naar het verpleeghuis, alwaar hij één minuut te laat arriveerde. Toen zijn vrouw gecremeerd werd, hadden de buurvrouwen hem kledingadvies gegeven. Hij ging in zijn trouwpak. De vrouwen vergezelden hem op deze eenzame uitvaart. De sieraden van zijn vrouw waren volgens Henk door de uitvaartverzorger gestolen.

Hij was boos op zijn vrouw zaliger, want ze had hem in de steek gelaten. Ze had hem nooit leren koken en nu moest hij zelf aan de bak. De vrouwen naast hem maakten voortaan een maaltijd extra en schoven iedere avond een bordje eten naar binnen. Laatst hadden ze zijn slaapkamer onder handen genomen. Ze waren geschrokken, ze vonden zijn bed een rovershol. Hij sliep op een kale matras onder een wollen deken. Toegegeven, hij hield het ’s nachts niet altijd droog, maar dat deerde hem niet. Toen het bed was opgemaakt, hadden ze hem meegenomen naar hun eigen huis. Hij was daar in bad gegaan. Ze hadden zijn haar gekortwiekt, zijn lichaam ingezeept en zijn nagels geknipt met een nijptang. Het was daar best gezellig geweest.

Henk was in zijn werkzame leven leraar wiskunde op Aruba. Die omgeving was beter voor de longen van zijn vrouw. Daar hadden ze een gelukkige tijd gehad, lang geleden. Kinderen waren er niet gekomen. Dat lag aan haar. Zijn zaad was opperbest, dat had hij door een gynaecoloog in Bilthoven laten analyseren. De uitslag lag op de keukentafel en hij liet het aan de buurvrouwen zien.

Die wijven waren bang voor muizen. Dat vond Henk hilarisch. Hij had er een paar gevangen en in de diepvries gegooid, daar kon-ie nog weleens een geintje mee uithalen. Zijn voortuin was een bende, hoewel er ieder jaar Lelietjes van Dalen groeiden. Hij zou ze eens plukken voor zijn dames en kersen konden ze ook krijgen, uit de achtertuin. Onlangs had een van de vrouwen hem geholpen met het draperen van een net over de kersenboom, tegen die klotevogels. Daarna waren de dames op vakantie gegaan. Ze stuurden veel kaarten met allerlei vragen erop. Die ging hij dan opzoeken in zijn encyclopedie. Hij wist het reisschema en stuurde de antwoorden terug naar hun vakantieadres. Misschien vonden ze dat wel attent. Hij moest niet vergeten om een cadeautje voor die ene te kopen, die was binnenkort jarig. De plaatselijke drogist had hem gezegd dat dames van die leeftijd het liefst een potje gezichtscrème willen, als ze jarig zijn, voor de ouder wordende huid. Zo gezegd, zo gedaan, hij had er gelijk twee gekocht, of zouden lesbische vrouwen aan één potje genoeg hebben? Wist hij veel.

Hij had een intense hekel aan de belastingadviseur. Die zak had met de politie overlegd en met het CBR en nu moest hij gekeurd worden voor het rijbewijs. De auto kon hij niet missen, want hij reed regelmatig naar België om er bier te kopen.

Verdomme, als hij het niet dacht, zijn rijbewijs werd ingetrokken. Tijd om de allergrootste baco op de trap bij de voordeur te leggen. Binnenkort zouden ze aanbellen, die smeerlappen van de overheidsinstanties, hij zou korte metten met ze maken. En de thuiszorg kon ook oprotten. Die wilden steeds met hem naar boven. Aan zijn lijf geen polonaise. Hij vertelde ze wel dat de buurvrouwen op hem letten. Die hadden zelfs voorgesteld om samen een abonnement te nemen op het Brabants Dagblad. Dan konden ze iedere dag checken of hij nog leefde.

De kachel aan was ook de grootste flauwekul. Liever zat hij in zijn winterjas.

Hij had toegestemd, maar hij wilde wel geld zien, precies de helft moesten ze betalen. Af en toe knoeide hij jus en eigeel op de krant, het zij zo. En hij had ook op de krant geschreven met wie hij het allemaal ging doen en op welke manier. Heerlijk leek hem dat. Wilde en hete seks, zoals beschreven in al die pornoboeken die hij las in bed. Zekerheidshalve had hij er een kaftpapiertje omheen gedaan. Dan bleven de titels geheim. De buurvrouwtjes een beetje shockeren, dat vond hij wel grappig. Laatst had die ene geholpen zijn toilet te ontstoppen. Ze zei dat hij vaker door moest trekken. Zonde van het water. Hij plaste liever in een leeg blik en dat was altijd bij de hand, op iedere etage stond er wel eentje. En trouwens, de kachel aan was ook de grootste flauwekul. Liever zat hij in zijn winterjas. Vier graden Celsius. Hij was toch geen watje?

Pas geleden waren ze boodschappen met hem gaan halen. Op zijn verzoek waren ze ook naar de geldautomaat van de ING gereden. Zijn geld bewaarde hij liever thuis. Hij moest er niet aan denken dat al dat geld door de bank werd misbruikt, zoals op Cyprus. Foetsie. Dat zou in zijn eigen kast op de overloop niet gebeuren. Ook waren ze met hem naar de Aldi geweest. Hij moest nodig plassen en had zijn lege conservenblik thuis op de trap laten staan. Geen nood, de gevel van de winkel was er ook nog. De vrouwen waren not amused. Dat kon hem niets verrekken, hij had genoeg belasting betaald om te zeiken tegen openbare gebouwen.

De maandelijkse voorraad pindakaas, vanillevla, tomatensoep en chocolade kostte 30 euro, wat een bedrag voor zo’n beetje. De wijsheid op het tegeltje in zijn studeerkamer over rijk leven in plaats van rijk sterven troostte hem.

Die vrouwen hadden hem een kunstgebit en gehoorapparaten aangesmeerd. Vond hij waanzin. Zodra ze het niet zagen trok hij het gebit eruit en smeet hij het, samen met de gehoorapparaten, op de vensterbank. Een mooi stilleven van de menselijke vergankelijkheid, dacht hij. Wat moet een mens ermee?

Die gekke wijven waren in Frankrijk geweest en hadden een mistletoe meegebracht. Ze hadden de tros boven zijn deur gehangen, waren eronder gaan staan en hadden hem op de wang gekust, toch wel lief. Daarna hadden ze gezegd dat hij met Kerst moest komen eten. Ze zouden hem eerst douchen en daarna zijn trouwpak aantrekken. Schoorvoetend had hij het aanbod geaccepteerd. Ze hadden hem ook een luier aangetrokken en zelfs een paar pakken van die troep gekocht. Hij moest dan iedere dag een schone omdoen. Wat dachten ze wel. Dat spul ging veel langer mee, dat zou hij aantonen. In de broekzak van zijn trouwpak had hij zijn gebit en de gehoorapparaten verstopt. Die zou hij dan wel even in zijn mond en oren stoppen, vlak voordat het kerstdiner begon.

De wijsheid op het tegeltje in zijn studeerkamer over rijk leven in plaats van rijk sterven troostte hem

Die ene ging tegenover hem zitten en die andere diende steeds de kerstgerechten op. Af en toe liepen ze samen naar de keuken om te kokhalzen. Dat vlees was lekker, maar dat kauwen ging niet zo. Stiekem deed hij het kunstgebit uit en legde het naast zijn bord op de fraai gedekte dis. Dat zou niemand opvallen.

Zo gingen de seizoenen voorbij. Van lieverlee werden ze steeds dikkere vrienden. Zijn jeugd was niet best geweest, zijn huwelijk evenmin, maar deze wijven, die waren fijn. Hij durfde ze steeds meer toe te vertrouwen. Zij vonden ook niks gek. Zelfs niet dat hij dode padden spaarde die hij met knopspelden op papier bevestigde en in het bovenste laatje van zijn dressoir bewaarde. Hij liet winden bij hen, want die darmen van hem, die speelden flink op.

Hij voelde dat het zijn laatste Kerst zou worden in zijn eigen huis. Zijn lijf liet hem in de steek. Af en toe werd hij erg misselijk en ook had hij vaak diarree. De buurvrouwen lieten de huisarts komen op Kerstavond. Hij braakte poep. Overal in zijn huis lag gele pulp van die luiers. De huisarts luisterde naar zijn buik en legde uit dat hij totaal verstopt was.

In het ziekenhuis kreeg hij laxeermiddelen. Leuke zusters waren er, vooral dat jonge ding, die kneep hij in de borsten als zij hem afdroogde na het wassen. Toen hij weer opknapte, zeiden de buurvrouwen dat hij naar het verpleeghuis ging, dat was beter. Henk vond het prima, maar die padden en die doos met geld moesten weg. Die meiden beloofden met het geld naar de bank te gaan.

Zijn jeugd was niet best geweest, zijn huwelijk evenmin, mar deze wijzen, die waren fijn

Het verpleeghuis was drie keer niks. Daar zaten allemaal dementen en dat was hij niet. Hij deed wel alsof, dat was voor hem de weg van de minste weerstand. Eindeloos werd er met hem geluld en ze hadden geen idee wat er inzijn brein omging. Die meiden hadden zijn schaakbord meegebracht van huis. Hij had ze uitgelachen. Hij zou werkelijk niet weten met wie hij een potje zou kunnen spelen. De een was daar nog idioter dan de ander.

En toen kwam zijn laatste Kerst. Hij lag al dagen in bed en kreeg paarse vlekken. Zuster Ilona had op maandag, Eerste Kerstdag, gezegd dat hij aan zijn laatste reis was begonnen. Ze zou er woensdag weer zijn, de dag na Kerst. Zij wou hem dan niet meer levend aantreffen. De buurvrouwen zaten bij hem te waken. Hij hoorde ze dinsdagavond zeggen dat hij uit de tijd mocht gaan. En dat deed hij. Geen zin in ruzie met Ilona.

De vrouwen brachten hem samen naar het crematorium. Beiden zeiden ze tegen de kist dat ze van hem gehouden hadden en dat ze hem nooit zouden vergeten. Ze schoven hem eerbiedig de oven in en gingen verdrietig huiswaarts. Zijn as strooiden ze uit in het bos aan het einde van de laan. Iedere dag liepen ze er voortaan langs met de hond. Henks bestaan was niet onopgemerkt gebleven.

Mieke Kerkhof is gynaecoloog in het Jeroen Bosch Ziekenhuis