Lucht

Na het overlijden van haar man, burgemeester Eberhard van der Laan in 2017, schreef Femke van der Laan (1978) voor Het Parool columns over rouw. Die werden gebundeld in haar boek Stad vol ballonnen

Tekst: Femke van der Laan Beeld: Tessa Posthuma de Boer

Hij had het druk, Eberhard. Altijd. En ik liet hem. Meestal. Want natuurlijk hadden we weleens discussie over dat harde werken van hem. Dan vond ik dat het wel wat minder kon. Dan vond hij dat het wel meeviel. “Als het echt nodig is, dan ben ik er”, zei hij op die momenten. “Als het echt nodig is, dan is de ambulancebroeder er”, was dan mijn antwoord. Dan lachte hij en gaf me gelijk. 

Ik dacht terug aan die zin toen ze er stonden, de ambulancebroeders. Op een avond in september, toen het echt niet meer ging. Toen het echt nodig was. Eberhard was benauwd en het ging niet over. Er moest hulp komen.

Mijn telefoontje naar 112 had de meisjes wakker gemaakt. Ze stonden in de gang, voor de deur van hun slaapkamer. Op blote voeten. Ik vertelde dat er een ambulance zou komen. Dat het even niet zo goed ging met papa. Ik zag twee bange gezichtjes. Om ze gerust te stellen, zei ik dat hij vanavond niet dood zou gaan. “Papa gaat vanavond niet dood.” Niemand werd er rustiger van. De rust kwam van de ambulancebroeders. Ze kwamen binnen met hun tassen en apparaten en zuurstof, maar vooral kwamen ze binnen met zichzelf. Ze gingen aan de slag, deden wat ze moesten doen en met elke handeling die ze uitvoerden, kregen we alle vier weer lucht. Het was veilig. Ze waren er, de ambulancebroeders.

We lachten om de shoarma met knoflooksaus

Uiteindelijk namen ze ons toch mee. Voor de zekerheid. Maar de rust bleef en we maakten lol. We lachten om de shoarma met knoflooksaus die ze hadden gegeten vlak voor de oproep kwam. Hoe ze bijna wanhopig op zoek waren gegaan naar kauwgom. En we reden hard, met zwaailicht, omdat ik daar om vroeg. “Mijn vrouw is een racemonster, sorry daarvoor”, klonk het achterin. 

Hij ging niet dood die avond.
Later wel.
Niet eens zo heel veel later.

En nog weer later fietste ik door de stad. Een stad die feest vierde. Het was Koningsdag. De eerste Koningsdag zonder hem. Ik had geprobeerd mee te feesten. Ik was ook de stad in gegaan. Het sloeg nergens op. Dus fietste ik naar huis, eerder dan de bedoeling was. Verdrietiger dan de bedoeling was. Terwijl ik me een weg baande door een oranje massa vrolijkheid, voelde ik de tranen komen. Ze kropen omhoog. Vanuit mijn buik langs mijn keel en dan verder naar boven. Ik kreeg het benauwd.

Op dat moment riep iemand mijn naam. “Femke!” Ik keek naar links: een ambulance. We stopten allebei. Hij stapte uit en ik stapte af. Daar stonden we, tegenover elkaar op de trambaan, de ambulancebroeder en ik. Hij sloeg zijn armen om mij heen en ik de mijne om hem en toen was er rust. Midden in een oranje stad. Ik kon weer ademen. 

In mijn hoofd hoorde ik Eberhard weer zeggen dat ik gelijk had. Als het echt nodig is, dan is de ambulancebroeder er.

Op deze plek verhalen schrijvers, journalisten en publicisten over een persoonlijke ervaring met de gezondheidszorg en houden ze (para)medici een spiegel voor. Eerdere afleveringen vindt u hier.

Plaats een reactie

Uw e-mailadres zal nooit gepubliceerd of gedeeld worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*
*