Niets kunnen doen

Toen geriater Lodewijk Crijns nog een jonge huisarts was, leerde hij van een collega dat zorg verlenen meer is dan medische hulp bieden. 

Tekst: Lodewijk Crijns | Beeld: Marcel Leunink

Ze komt, ondersteund door haar man, moeizaam naar mijn huis gelopen. Het waait hard. Mevrouw wil graag een injectie voor haar migraine. Ze vertelt dat ze bij de chirurg is geweest vanwege haar borstkanker en dat er uitzaaiingen aangetroffen zijn. 

Mevrouw is begin veertig. Het echtpaar heeft twee kinderen en het gezin woont in een dorp aan de Waddenzee. 

Ik zeg dat ik het naar voor mevrouw vind dat ze uitzaaiingen heeft en dat ze maar moet bellen als er iets is, maar dat ik verder medisch gezien niets voor haar kan betekenen.

Mijn collega-huisarts vertelt enige dagen later dat hij de avond ervoor een visite bij hen heeft afgelegd. Hij had vernomen dat ik had gezegd dat ik verder medisch niets voor ze kon doen. Mijn collega kijkt me begripvol en zegt: “Je moet nog veel leren. Ook al kun je medisch niets doen, toch ga je elke veertien dagen bij ze op bezoek om ze bij te staan, en begeleid je het echtpaar tot het einde toe.” Zwakjes protesteer ik: “Wat kan ik dan doen? Hooguit wat pijnstillers geven. Ze kunnen me toch ook bellen als er wat is?” “Doe het nou maar,” zegt hij, “elke twee weken even kijken hoe het gaat.” 

‘Je moet nog veel leren’

Voortaan sta ik dus tweewekelijks bij het echtpaar op de stoep. Ik word hartelijk ontvangen, krijg koffie en hoor over het wel en wee van het gezin. Over de familie, over zijn werk, over de kinderen, over de buren. En ook wel over haar ziekte. O ja, daar kom ik eigenlijk voor. Ik bekijk de medicijnen. De tijd van de visite is zo voorbij, het is gezellig geweest en veertien dagen later ben ik er weer. 

Na zo’n twee jaar geloof ik – net als het echtpaar – dat het met de uitzaaiingen wel meevalt. De warme band die is ontstaan, maakt kennelijk blind; ik wil zelf ook gewoon niet accepteren dat mevrouw doodgaat.

Op een dag belt de ziekenverzorgster. Of ik wel zie dat mevrouw terminaal is? Ik ben helemaal verbaasd, ik heb dat niet gezien, maar bij mijn volgende bezoek zie ik het ook. Mevrouw kan niet meer van bed af en kijkt me verdrietig aan. Het einde is nabij. Ik ben in de loop van de jaren zo van deze mensen gaan houden, dat ik blind werd voor de achteruitgang.

Enkele avonden later gaat de telefoon. Ik ga erheen. In de woonkamer ontreddering. Mevrouw is al overleden. Mijnheer huilt en huilt. De dochter is in de keuken, de zoon zit boven op zolder 

te huilen. Medisch niets kunnen doen, zegt weinig, heb ik geleerd. Dan begint het pas.  

Delen