One Health – Mondiale aanpak vereist

Om zoönose-uitbraken in de kiem te smoren is, onder de noemer One Health, na de Q-koortsepidemie getracht het humane en veterinaire zorgveld nader tot elkaar te brengen. Maar wat heb je daaraan als er een zoönotisch virus uit China overwaait?

Tekst: Martijn Reinink | Beeld: Tamar Smit

One Health

Geconfronteerd met de gevolgen van rundertuberculose voor dier én mens – zieken liggen soms maandenlang te kuren in tbc-huisjes – neemt de Friese dierenarts Johannes Plet in 1919 het initiatief om een Gezondheidsdienst voor Dieren op te richten. Een eeuw later bestaat deze dienst nog steeds, inmiddels in de vorm van een zelfstandig opererende, private organisatie. Royal GD, gevestigd in Deventer, beschikt over een laboratorium waar jaarlijks zo’n vijf miljoen bepalingen worden uitgevoerd voor de veterinaire gezondheidszorg. Maar bij wijze van uitzondering worden er anno 2020 óók humane monsters onderzocht, op aanwezigheid van SARS-CoV-2. “Het uitvoeren van PCR-onderzoek is voor GD dagelijkse kost”, zegt Manon Houben, varkensdierenarts en manager bij GD. “Dus toen bleek dat er extra capaciteit nodig was voor COVID-19-diagnostiek hebben we ons direct gemeld, want technisch is het onderzoek hetzelfde: het maakt niet uit of het om een virus bij een koe, een orka of een mens gaat.” 

Zo brengt de huidige pandemie de humane en veterinaire wereld samen in een lab. Al is samenwerking op zichzelf niet nieuw. Een eeuw geleden trekken artsen en dierenartsen ook samen op voor een betere volksgezondheid, blijkt uit het proefschrift van historicus Floor Haalboom, die in 2017 promoveerde op de Nederlandse bestrijding van zoönosen. Volgens haar is de roep om meer samenwerking na elke uitbraak opnieuw te horen. “Het is een vorm van depolitisering, want als het aan ‘de communicatie’ of ‘de samenwerking’ ligt, is er niemand echt verantwoordelijk”, zegt ze in De Groene Amsterdammer. Dick Heederik, sinds 2002 hoogleraar One Health, herkent dat patroon wel. “Na elke zoönose-uitbraak zijn er zorgen, zeker wanneer het een public-healthprobleem wordt, maar is het onder controle, dan ebben die zorgen weer weg. Zo zal dat ook nu gaan. Natuurlijk blijven de experts erbovenop zitten, maar politiek en maatschappelijk verschuift de aandacht naar de achtergrond.” Toch is er in zijn ogen wel degelijk iets veranderd in de zoönosenaanpak na de Q-koortsepidemie, die tussen 2007 en 2010 tot duizenden chronisch zieken en bijna honderd doden heeft geleid. “Toen werd pijnlijk duidelijk dat informatie-uitwisseling tussen de veterinaire en humane werkvelden moeizaam verliep. Q-koorts heeft de boel op scherp gezet, daarna hebben we grote stappen voorwaarts gemaakt.”

‘Q-koorts heeft de boel op scherp gezet, daarna hebben we grote stappen voorwaarts gemaakt’

In 2011 komt er een landelijke zoönosestructuur, inclusief maandelijks Signaleringsoverleg-zoönosen (SO-Z). Het RIVM geeft jaarlijks een ‘Staat van Zoönosen’ uit die vanwege hun besmettelijkheid moeten worden gemeld bij de GGD (voor mensen) of de NVWA (voor dieren). One Health maakt zijn opwachting in het onderwijs en er ontstaan regionale netwerken van mensen- en dierendokters, zoals het Brabants Kennisnetwerk Zoönosen, waarvan dierenarts Houben nog altijd lid is. “In het begin was dat netwerk heel actief, met hulp van de provincie die het faciliteerde. Nu staat het op een lager pitje. We komen nog drie keer per jaar samen. Het is vooral van belang dat je elkaar kent en van elkaar weet wat je doet.” 

Winst in onderzoek 

Professor Heederik: “Ik denk dat de meeste One Health-winst is te halen in het onderzoeksdomein. Want wat kun je als practicus eigenlijk in de periferie doen? De dierenarts die een dierziekte signaleert, kan direct de huisarts bellen, maar er zal toch eerst pathologisch onderzoek moeten worden verricht. Dan is er ‘over de velden heen’ snel contact: wat is er aan hand, moeten we ingrijpen? Dat loopt veel soepeler sinds Q-koorts.” Het pathologisch onderzoek valt onder de ‘diergezondheidsmonitoring’ die sinds 2002 door GD wordt uitgevoerd. “Daardoor hebben we ontdekt dat nertsen besmet waren met COVID-19”, zegt Houben. “In andere landen zullen ook nertsen besmet zijn, maar dankzij ons systeem hebben wij het snel gesignaleerd. Dan hoop je dat je het kunt ‘containen’, dat je interventiemogelijkheden hebt. In dit geval is het jammer genoeg niet gelukt om besmetting bij andere nertsenbedrijven te voorkomen.” 

Wel volgen er in de omgeving van nertsenbedrijven luchtmetingen om erachter te komen of het virus zich via de lucht kan verspreiden en dus risico’s vormt voor omwonenden, wat niet zo blijkt te zijn. “Die metingen hadden we snel op poten staan”, vertelt Heederik, die daarbij betrokken is vanuit het departement 

Population Health Sciences van de Universiteit Utrecht. “Wij deden de metingen, Wageningen UR en de Erasmus Universiteit de analyses. Dan zie je hoe belangrijk het is dat de lijnen kort zijn.” Het in 2016 opgezette Netherlands Centre for One Health (NCOH), waarvan Heederik voorzitter is, draagt daar volgens hem aan bij. “Er waren allerlei onderzoeksgroepen die zich direct of indirect met One Health bezighielden, maar redelijk versnipperd. Dankzij dit centrum is er een levendige samenwerking ontstaan. Daar plukken we ook tijdens deze pandemie de vruchten van. Bij het nertsenonderzoek en de luchtmeting, maar ook bij andere onderzoeken op het grensvlak van mens, dier en milieu, zoals onderzoek naar aerosolen en transmissieroutes.”

Lockdown andersom 

Het klinkt alsof het allemaal op rolletjes loopt. “Ik denk dat we het grosso modo goed voor elkaar hebben in Nederland”, zegt Heederik, om daar direct aan toe te voegen: “Dat móet ook wel met onze krankzinnig grote veehouderij.” 

Dierenarts Houben: “Nederland is uniek in mens- en dierdichtheid, dat maakt ons een hotspot met betrekking tot risico. We moeten er alles aan doen om populaties in de veehouderij gezond te houden én te voorkomen dat eventuele dierziekten overslaan. Daarom hebben we een soort van lockdown andersom: dieren zitten in stallen en daar komen mensen niet zomaar bij.” 

Op dat vlak loopt Nederland internationaal voorop. Dat zijn althans de woorden van voormalig dierenarts Henk Jan Ormel, nu actief als adviseur veterinaire zaken bij de Food and Agriculture Organization (FAO) van de Verenigde Naties. “In Nederland zelf is er veel kritiek, maar op wereldniveau kijkt men met ontzag naar hoe we de veehouderij intensiveren, mét oog voor innovatie en dierenwelzijn. We zijn goed in surveillance, in biosecurity. Maar je kunt het nog zo goed voor elkaar hebben; Nederland is geen eiland, een zoönose die vandaag aan de andere kant van de wereld uitbreekt, kan morgen hier zijn.”

Iets wat we met COVID-19 natuurlijk aan den lijve ondervinden. “Het was een One Health-probleem, maar toen het virus zich hier verspreidde, was het al een human health-probleem”, zegt Ormel. “One Health is belangrijker voor preventie dan voor bestrijding. We moeten een virus stoppen vóórdat het mensen infecteert. Daar hebben we niet alleen veterinaire en humane gezondheidsexperts voor nodig, maar ook experts op het gebied van milieu, van wildlife. We moeten de oorzaken bestrijden, zoals klimaatverandering die ervoor zorgt dat vectoren zoals muggen zich verplaatsen, de aantasting van het milieu en de toenemende interactie tussen mens en dier. En dat moeten we dáár doen waar de risico’s het grootst zijn.” 

‘One Health is belangrijker voor preventie dan voor bestrijding’

De Tripartite – waarin Ormel namens de FAO samenwerkt met de World Health Organization (WHO) en de World Organisation for Animal Health (OIE) op het gebied van One Health – ziet bijvoorbeeld een potentieel groot risico in Saoedi-Arabië, waar het MERS-coronavirus nog altijd rondwaart. “Dat virus is gelokaliseerd gebleven in het Midden-Oosten, maar omdat SARS-CoV-2 zich wereldwijd verspreidt, zijn we beducht op vermenging, wat tot een gevaarlijker variant kan leiden. We zetten daar vol in op surveillance. Iets wat sowieso belangrijk blijft bij dieren, dat is wel gebleken met de coronamutatie bij nertsen in Denemarken.”

Tegelijkertijd zet de Tripartite in op preventie. “Met name op die plekken waar de bevolking en de landbouw het hardst groeien, zoals in Zuidoost-Azië en in Sub-Sahara-Afrika, waar ook nog eens grote wildlifepopulaties leven”, licht Ormel toe. “We hebben een Tripartite Zoonotic Guide gemaakt: een module om een One Health-systeem op te zetten in een land. Dat doen we, nu virtueel vanwege COVID-19, samen met vertegenwoordigers van ministeries van landbouw en volksgezondheid in het betreffende land. Bijvoorbeeld in Namibië, waar we ze helpen met een joint risk assessment. Doel is tot een document te komen waarin gezamenlijke gezondheidsrisico’s, veterinair én humaan, staan beschreven. Daarnaast adviseren we een nationaal One Health-team op te zetten met experts vanuit de agrarische en volksgezondheidssector. Hoe meer landen het volgens deze opzet doen, hoe sneller een virus gedetecteerd en bestreden kan worden. In Nederland zijn we daar goed in, dus ik vind dat we onze ervaring en kennis moeten delen.”

Op wetenschappelijk niveau doen we dat eigenlijk al, geeft Heederik in reactie daarop aan. “Over het onderzoek naar nertsen wordt gepubliceerd, dus daar hebben andere landen iets aan. En in 2005-2006, toen we MRSA bij varkens en kalveren vonden, hebben we humaan-veterinaironderzoek gedaan naar de risico’s op dier-op-mensbesmetting én hoe die je kunt tegenaan. Door daarover te publiceren, laten we ook internationaal het belang van One Health zien.”