Ook een bolus?

Gepensioneerd fysiotherapeut Jan de Jonge moest eens ‘noodgedwongen’ een traktatie van een cliënt afslaan. Gelukkig maakte zijn zwager dat later goed.

Tekst: Jan de Jonge | Beeld: Marcel Leuning

Het oude huisje staat er nog, in Zeeland. De raampjes dichtgespijkerd. Het gras groeit over de randen van de verveloze goten. Het erf overwoekerd door onkruid.

Begin jaren tachtig woonden hier twee oude broers. Een nicht van het tweetal probeerde het huishouden nog enigszins proper te houden. Na een TIA bij de oudste broer moesten onder meer zijn handfuncties geoefend worden. Dat deden we in de kleine en lage woonkamer met een dikbuikige haard voor een schoorsteenmantel, waarop een pendule stond, geflankeerd door twee stenen honden.

Opmerkelijk was dat beide mannen pruimden. Ik vond dat kauwen van de pruimtabak tijdens de oefensessies niet bepaald smakelijk. En als er even gestopt moest worden om de gelegenheid te geven de doorkauwde tabaksprop uit te spugen, liepen de rillingen over mijn rug. Een donkerbruine straal tabaksvocht kletterde dan in een oud conservenblik.

‘Nichtlief had diverse keren aangedrongen op de aanschaf van een ander jasje’

Al pruimend zat de jongere broer aan tafel onze verrichtingen nauwlettend gade te slaan. Hij droeg een overjarig jasje dat glom van het vuil en vet. De mouwen waren rafelig. Nichtlief had al diverse keren aangedrongen op de aanschaf van een ander jasje. Dit kon echt niet meer, ‘zelfs ’t Leger (des Heils) zou zo’n jasje niet meer accepteren’. Maar de oude man dacht er niet over z’n vertrouwde jasje te vervangen. Uit protest en uit angst dat zijn nicht het zou meenemen, droeg hij het altijd.

Toen ik op een ochtend kwam om te oefenen, was de jongere broer naar de bakker. Tegen het einde van de oefensessie stapte hij binnen met zijn onafscheidelijke vieze jasje aan. Zijn stok haakte hij over een stoelleuning van een stoel bij de tafel. Daarna probeerde hij een papieren zak uit zijn jaszak te halen. De zak scheurde en ik zag dat ze bolussen bevatte. De bolussen kleefden aan zijn vingers en aan de vieze stof van zijn jaszak. Het lukte hem tenslotte de gescheurde papieren zak met de verfomfaaide bolussen op tafel te leggen. Ik zag dat er allerlei pluisjes en niet nader te definiëren rommeltjes aan de bolussen kleefden. Wat amechtig vroeg hij toen: ‘Ook een bolus?’ Met een of ander excuus bedankte ik voor de traktatie.

Dit verhaal vertelde ik eens aan een zwager. Toen wij jaren later een zoveel jarig huwelijksfeest vierden, hield de zwager een toespraakje. Hij haalde voorzichtig uit zijn jaszak een goed verpakte bolus en sprak: ‘Zo, Jan hier heb je dan eindelijk je bolus, eet smakelijk!’