Spaanse kraag

Gepensioneerd kinderarts Friedy Bos heeft in haar lange carrière vrijwel alle aandoeningen weleens voorbij zien komen. Maar de eerste keer dat zij een patiëntje pijn moest doen, herinnert zij zich nog goed.

Tekst: Friedy Bos | Beeld: Marcel Leuning

Hij zal inmiddels zo’n jaar of 55 zijn, die blonde jongen van toen. Ik was in opleiding voor kinderarts en had avonddienst.  Een ‘aanlopertje’, meldde de portier mij. Ik spoedde me naar de eerstehulpafdeling, waar ik in de wachtkamer, omringd door een heel gezelschap, het aanlopertje (een jaar of 11) aantrof.

Wat was er aan de hand? De voorhuid van zijn piemeltje was opgestroopt en kon niet meer terug. Het zaakje eronder zag er rood en gezwollen uit. ‘Iedereen’ had al geprobeerd de voorhuid terug te schuiven, maar zonder resultaat.

Ik vroeg de jongen en zijn moeder om met mij mee te gaan naar de behandelkamer.

Na mijn handen gewassen te hebben, deed ook ik een poging – overigens zonder al te veel hoop – om de voorhuid te reponeren. Maar ook mij lukte het niet.

Deze aandoening was nog niet eerder op mijn pad gekomen en ik voelde me er bepaald niet prettig bij. Opzoeken in de bibliotheek, dacht ik. Om toch alvast een behandeling in te stellen vulde ik een kommetje met koud water en vroeg ik de jongen om op zijn buik te gaan liggen en zijn piemeltje in het koude water te laten hangen; misschien zou de zwelling wat minder worden.

Ik naar de bibliotheek. Met enige moeite vond ik – in een kinderchirurgieboek – de naam van de aandoening: paraphimosis, en het volgende werd geadviseerd: give a dorsal split; incideren aan de dorsale kant.

Gesterkt door wat mijn achterwacht mij had gezegd, was ik vast van plan door te zetten

Terwijl ik nog aan het lezen was, belde mijn achterwacht. “Is er nog iets bijzonders?”, vroeg ze. Opgelucht over het feit dat ik mijn probleem aan een ervaren kinderarts kon voorleggen, deed ik mijn verhaal.  “Ooohh”, klonk het aan de andere kant van de lijn, “een Spaanse kraag.” En ze vertelde me dat het eigenlijk altijd lukt om, zij het met enige moeite, de voorhuid weer terug te schuiven.

Ik sloeg het boek dicht en ging terug naar de eerste hulp, waar ik in de behandelkamer het hele gezelschap weer aantrof. De patiënt zat rechtop op de onderzoeksbank en ik zag opa uit het kommetje drinken.

Ik vroeg de volwassenen om weer naar de wachtkamer te gaan en bleef met de jongen alleen. Ik vroeg hem om op zijn rug te gaan liggen en zei: “Je moet nu even heel flink zijn, want het doet wel pijn.”

En de jongen was flink. En ik ook. Gesterkt door wat mijn achterwacht mij had gezegd, was ik vast van plan door te zetten. En zowaar. Het lukte!

De beloning was groot. De jongen sprong van de onderzoeksbank en zei met een lach: “Beter heel even pijn dan een heel leven pijn!” Het was de eerste en laatste Spaanse kraag die ik ben tegengekomen.

Iedere medisch professional heeft wel een patiënt (gehad) die hij of zij nooit vergeet. Omdat de omstandigheden zo bijzonder waren, het behandeltraject aangrijpend, of juist omdat zich iets grappigs voordeed in het contact. In deze reeks leest u hun verhalen.