Stoppen met de praktijk

Namens VvAA begeleidt Richard Brugman praktijkhouders – met name huisartsen – die overwegen te stoppen met hun praktijk. De bedrijfskundig adviseur vertelt over de financiële en juridische aspecten die daarbij komen kijken.

Tekst: Martijn Reinink

 

Het aantal huisartsen dat met hun praktijk stopt, neemt toe. Sommigen kijken ernaar uit om van hun oude dag te gaan genieten, anderen worden er door leeftijd of persoonlijke omstandigheden toe gedwongen. “Stoppen is niet voor iedereen een feest”, weet bedrijfskundig adviseur Richard Brugman. “Er zijn huisartsen die bang zijn dat hun praktijk en hun patiënten niet zonder hen kunnen.”

Dat het aantal stoppende praktijkhouders toeneemt, is volgens Brugman een logisch gevolg van de vergrijzing in Nederland. “Deze uitstroom was al voor een paar jaar eerder voorspeld”, zegt hij. “Maar veel huisartsen hebben voor twee of drie dagen in de week een waarnemer aangetrokken. Door die ontwikkeling zijn ze langer blijven werken en is die uitstroom uitgesteld, maar nu komt de golf echt los.”

Toereikend pensioen

Een praktijkhouder die overweegt te stoppen, moet als eerste de vraag beantwoorden of hij het zich financieel kan veroorloven. Brugman: “Je kunt wel op je 63ste willen stoppen, maar als het pensioen niet toereikend is, wordt dat lastig. Het omgekeerde komt ook voor: sommigen blijven werken omdat ze nog niet pensioengerechtigd zijn, maar hebben genoeg vermogen om eerder te stoppen. Het is belangrijk om te onderzoeken wat je je financieel kunt permitteren.”

Meer over praktijkbeeindiging

Tijdens de training ‘Praktijkstop’, die VvAA verzorgt voor de LHV, gaat Richard Brugman dieper in op de praktische, juridische, financiële en fiscale aspecten van praktijkbeëindiging. Meer info of aanmelden: lhv.nl/lhv-academie/cursussen/praktijkstop

Deze onderwerpen komen ook aan bod op 4 juni tijdens het VvAA-congres ‘Witte Jas aan de Wilgen’. Meer info of
aanmelden: vvaa.nl/wittejas.

Wanneer de praktijkhouder dat in kaart heeft en het licht op groen staat om de witte jas aan de wilgen te hangen, moet er een geschikte opvolger worden gevonden. “Een heldere profielomschrijving helpt om iemand te vinden die past bij de praktijk en de patiënten en die een klik heeft met het personeel”, zegt Brugman. “De opvolger neemt immers ook de medewerkers over. En voor wie in een maatschap zit, is het van belang om de visie van de opvolger af te stemmen op die van de maten. Ik raad altijd aan de opvolger een tijdje als waarnemer in de praktijk te laten werken, voordat hij of zij de praktijk overneemt.”

Maar eerst moeten er (mogelijk) nog wat juridische en financiële hindernissen worden genomen. Brugman: “Wie een solopraktijk heeft, kan zelf zijn opvolger benoemen. Maar wie onderdeel is van een maatschap, heeft met zijn maten te maken. Wat is er afgesproken in het maatschapscontract? Vaak wordt zo’n contract opgesteld en belandt het vervolgens in een la, waar het twintig jaar blijft liggen. Mogelijk staan er in dat contract bepalingen die destijds zijn afgesproken, maar waar de stoppende praktijkhouder nu niet meer achterstaat. Bijvoorbeeld dat de maten over de opvolging gaan. Het is belangrijk om vroegtijdig de bepalingen in het contract na te lopen en om de tafel te gaan met de maten om de opvolging te bespreken. Open communicatie is alles.”

Waarde van de praktijk

Ook dient zich bij de opvolging een aantal financiële kwesties aan. Brugman: “Is de praktijkruimte eigendom of wordt de ruimte gehuurd? In het eerste geval is het logisch dat een opvolger betaalt voor de overname van de ruimte.” Minder vanzelfsprekend is dat de opvolger voor immateriële zaken, zoals een groot patiënten-bestand, betaalt. “In 1987 werd goodwill afgeschaft, maar sinds het vrijgeven van de zorgmarkt in 2006 wordt er geregeld een vergoeding gevraagd voor de economische waarde van een praktijk. De minister noemt dat ‘niet wenselijk’. Het zou de kwaliteit van de zorg aantasten: jonge artsen die moeten betalen voor goodwill, kunnen dat geld niet in de praktijk of in zorgondersteuning steken.” Zelf heeft Brugman hier geen oordeel over. “Het is niet te vangen in één model”, zegt hij. “Praktijken verschillen sterk van elkaar. Zit een huisarts dertig jaar op één plek of is hij net vorig jaar verhuisd? Is alles ‘state of the art’, is er veel geïnvesteerd en is er veel energie in gestoken? In dat laatste geval vind ik een vergoeding te verdedigen. Maar elke stoppende praktijkhouder moet zijn eigen afwegingen maken.”