Dilemma: wijkverpleegkundigen voelen zich onveilig bij cliënt thuis

dilemma / filosoof Lieke van der Scheer en specialist gezondheidsrecht Annemarie Smilde buigen zich over een casus

Twee wijkverpleegkundigen voelen zich onveilig door het gedrag van de echtgenoot van een cliënte bij wie zij thuis komen voor behandeling van diabetes. Mag hun werkgever, een thuiszorgorganisatie, de zorg stoppen?

Een wijkverpleegkundige en haar collega, werkzaam bij een thuiszorgorganisatie, komen drie keer per dag bij een patiënte met diabetes mellitus type 1 voor het prikken van de bloedsuikerwaarden en het toedienen van insuline. Dit gebeurt ter uitvoering van het beleid van een internist en een diabetesverpleegkundige in het ziekenhuis.

De partner van de patiënt vertoont grensoverschrijdend gedrag tegenover de vrouwelijke wijkverpleegkundigen. Zowel verbaal, door het maken van seksueel getinte opmerkingen, als door fysiek gedrag, zoals het dichtbij de wijkverpleegkundigen gaan staan en hen de doorgang te blokkeren. De wijkverpleegkundigen voelen zich onveilig. Ze hebben een paar keer aangegeven dat hij ermee moest stoppen, maar dit heeft geen effect.

Met patiënte hebben ze een goed contact. Zij durft haar man niet op zijn gedrag aan te spreken. De thuiszorgorganisatie wil na de melding van de wijkverpleegkundigen de behandelrelatie stopzetten. De wijkverpleegkundigen vinden dat patiënte niet de dupe mag worden van het gedrag van haar man. Ze zijn bang dat patiënte zonder zorg komt te zitten. Zij vragen zich af of hun werkgever zomaar mag stoppen en wat hun verantwoordelijkheid is.

Lieke van der Scheer is filosoof/ethicus

Bijna 2 op de 3 werknemers in de zorg- en welzijnssector hebben in 2019 te maken gehad met agressie en geweld door patiënten of cliënten of hun familieleden (CBS, 28-1-2019). Ruim een derde van de verpleegkundigen meldt “ongewenste seksuele aandacht” (CBS, 20-4-2022). Vrouwelijke zorgverleners meer dan mannelijke. Daar is de laatste jaren steeds meer aandacht voor bij werkgevers en in de rest van de maatschappij. Dat is mooi, maar lost nog niet alles op.

Zoals in deze casus waar de echtgenoot van een patiënte de situatie behoorlijk klemzet. Hij verandert zijn gedrag niet als de wijkverpleegkundigen hem er op aanspreken. Zijn vrouw durft niets te zeggen (dat zou wellicht toch niet helpen). Zij dreigt de dupe te worden van zijn gedrag.

De thuiszorgorganisatie neemt de klachten van de wijkverpleegkundigen serieus en wil haar werknemers beschermen door de behandelrelatie stop te zetten. Daartegen maken de wijkverpleegkundigen bezwaar omdat ze vinden dat de patiënte hun zorg niet kan missen. Zonder (de juiste dosis) insuline zal ze binnen de kortste keren zo ziek worden dat een noodsituatie ontstaat en mogelijk ziekenhuisopname nodig is.

Wat doe je als het niet meer goed voelt?

Kans is daarom groot dat zij hun klacht intrekken en zullen doorgaan met de zorg in een voor hun onveilige situatie. Het opzeggen van de behandelrelatie is wel een duidelijke maatregel, maar bij nader inzien niet effectief. De kern van het probleem, het gedrag van de man, wordt zo niet aangepakt en blijft bestaan. We zullen juist op zoek moeten naar een aanpak waarbij de consequenties terecht komen bij degene die zich ongewenst gedraagt, de hulpverleners veilig hun werk kunnen doen en de vrouw de noodzakelijke zorg krijgt.

De thuiszorgorganisatie zou de verpleegkundigen ruimte en tijd kunnen bieden om samen – misschien met een gedragsdeskundige erbij – te bespreken hoe te communiceren met de echtgenoot. Of kan iemand anders misschien met de echtgenoot praten om duidelijk te maken dat zijn gedrag niet te tolereren valt? Ook zou bekeken kunnen worden of er een andere manier is om de patiënte adequate zorg te verlenen, zonder dat haar man roet in het eten kan gooien.

Er bestaan trainingen voor zorgprofessionals om met dergelijke situaties om te gaan. Wat doe je als het niet meer goed voelt? Hoe geef je je grenzen aan? Wat heb je vanuit de organisatie nodig om je werk te kunnen blijven uitvoeren zonder dat je eraan onderdoor gaat? Dat kan helpen om samen de veilige werksituatie te creëren die een voorwaarde is voor goede zorgverlening.


Annemarie Smilde is senior specialist gezondheidsrecht

Voor een eenzijdige beëindiging van een behandelrelatie gelden strikte regels, ook als er sprake is van ernstig grensoverschrijdend gedrag van een patiënt of een naaste. De thuiszorgorganisatie en de wijkverpleegkundigen in deze casus hebben te maken met de regels uit KNMG-richtlijn Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst (Richtlijn). Deze is opgesteld voor artsen, maar wordt in de rechtspraak ook toegepast bij behandelings- en zorgovereenkomsten met andere zorgverleners of hun werkgevers, voor zover voor hen geen specifieke regeling geldt.

De Richtlijn beschrijft in welke situaties er sprake kan zijn van een gewichtige reden, die op grond van de wet (WGBO) voor een opzegging is vereist. En welke zorgvuldigheidseisen bij opzegging in acht genomen moeten worden. Ook gaat de Richtlijn in op de verantwoordelijkheid van een werknemer.

Volgens de Richtlijn levert het gedrag van een naaste van een patiënt alleen in uitzonderlijke gevallen een gewichtige reden op. Het moet gaan om ernstig gedrag, dat het verlenen van zorg belemmert. Daarbij moet de zorginstelling, hier de thuiszorgorganisatie, er alles aan hebben gedaan om te zorgen voor een ‘werkbare’ situatie. Ook blijkt uit de civiele rechtspraak dat van een gewichtige reden pas sprake kan zijn, als de naaste (en de patiënt) herhaaldelijk en duidelijk zijn gewaarschuwd, ook voor een opzegging van de overeenkomst. In de Richtlijn is deze voorwaarde opgenomen in de zorgvuldigheidseisen.

De thuiszorgorganisatie zal dus nog een gesprek met de echtgenoot en de patiënte moeten voeren om hen te waarschuwen voor de gevolgen van herhaling van het grensoverschrijdende gedrag van de echtgenoot.

De thuiszorgorganisatie zal op andere wijze in de zorg moeten voorzien

Gaat de echtgenoot ondanks de waarschuwing weer in de fout, dan mag de thuisorganisatie niet direct de zorg stopzetten. Volgens de zorgvuldigheidseisen moet zij een opzegtermijn in acht nemen, die onder meer rekening houdt met ernst van de (medische) situatie van de patiënt, de afhankelijkheid van de zorg en de termijn voor het vinden van een passend alternatief. Ook zal de thuiszorgorganisatie tot het einde van de overeenkomst de medisch noodzakelijke zorg, in dit geval de afgesproken zorg, moeten bieden. Is de inzet van eigen verpleegkundigen geen optie, ook niet onder voorwaarden (bijvoorbeeld de afwezigheid van de echtgenoot), dan zal de thuiszorgorganisatie op andere wijze in de zorg moeten voorzien, eventueel in overleg met de huisarts en de betrokken ziekenhuisverpleegkundige.

Bovendien moet de thuiszorgorganisatie meewerken aan het vinden van een nieuwe zorgaanbieder. Civiele rechters zijn zelfs uitgegaan van een plicht tot het actief zoeken naar een alternatief. De thuiszorgorganisatie doet er dan ook goed aan zich hiervoor in te spannen in samenwerking met de huisarts en de ziekenhuisverpleegkundige. En daarbij de zorgverzekeraar te betrekken.


Wat is nu de verantwoordelijkheid van de verpleegkundigen?

De patiënte heeft niet met hen, maar met de thuiszorgorganisatie een overeenkomst gesloten. Hun werkgever neemt dus formeel de beslissing over de opzegging en moet hierbij voldoen aan de voorwaarden en eisen uit de Richtlijn. Werknemers hebben in deze situatie een eigen verantwoordelijkheid, waarop zij tuchtrechtelijk aan te spreken zijn. Deze houdt in dat zij zelf beoordelen wat er nodig is om volgens de Richtlijn te handelen en hieraan uitvoering geven in afstemming met de werkgever.

Wat mag van de verpleegkundigen worden verwacht als de thuiszorgorganisatie in strijd met de richtlijn wil opzeggen, bijvoorbeeld door de zorg zonder waarschuwing en met directe ingang te stoppen?

De verpleegkundigen moeten er dan bij hun werkgever op aandringen de Richtlijn in acht te nemen. Heeft dat geen effect, dan verdient het aanbeveling dat zij hun bezwaren tegen de handelwijze van de werkgever in het dossier vastleggen.

Aandachtspunten bij naleving van de Richtlijn

Aandachtspunten bij de naleving van de Richtlijn voor de thuiszorgorganisatie en de verpleegkundigen zijn de dossiervoering en het beroepsgeheim.

Uit het dossier moet blijken dat de echtgenoot en de patiënte bij herhaling is meegedeeld dat het gedrag van de echtgenoot moet stoppen met de duidelijke waarschuwing voor een opzegging. Ook moet het dossier een verslag bevatten van het gesprek, waarin de opzegging is meegedeeld en toegelicht naast de schriftelijke bevestiging aan de patiënte van dit gesprek. Daarnaast moet de thuiszorgorganisatie aan de hand van het dossier kunnen laten zien welke acties zij heeft ondernomen om de zorg te continueren tot het einde van de behandelingsovereenkomst en voor het vinden van een alternatief. Wanneer er advies is ingewonnen bij een jurist of een andere deskundige noteert de thuiszorgorganisatie of verpleegkundige dit ook in het dossier.

De thuisorganisatie en de verpleegkundigen hebben voor het delen van informatie over de patiënte met de huisarts, de ziekenhuisverpleegkundige en eventuele opvolgende zorgaanbieders toestemming nodig. Omdat het van belang is om in dit overleg iets te vermelden over het gedrag van de echtgenoot, is zijn privacy ook aan de orde. Daarom zal de informatieverstrekking hierover met hem afgestemd moeten worden.

Voor het overdragen van het dossier aan de nieuwe zorgaanbieder of zorgaanbieders, die tijdelijk de zorg overnemen, is eveneens toestemming van de patiënt vereist.

Wilt u een dilemma aan dit panel voorleggen? Stuur dan een mail naar redactie@artsenauto.nl o.v.v. ‘Dilemma’. Wij nemen contact met u op.

Delen