Arbeidsovereenkomst

Al geruime tijd is er veel discussie over de vraag wanneer een overeenkomst wordt aangemerkt als een arbeidsovereenkomst – terwijl dit niet is gewenst. Te denken valt aan een situatie waarin een waarnemer jarenlang iedere week gedurende een vast aantal uren waarneemt voor dezelfde praktijk. Is er dan nog wel sprake van een overeenkomst van opdracht?

Tekst: Katrijn van Berkum en Timo van Oosterhout

Art. 7:610 BW omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Indien de inhoud van een overeenkomst voldoet aan deze omschrijving, moet de overeenkomst worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. 

Het staat vast dat opdrachtgevers en zzp’ers samen verantwoordelijk zijn voor de arbeidsrelatie die zij met elkaar aangaan. Tussen partijen moet vooraf duidelijk zijn wat de relatie is en hoe zij hun afspraken willen inkleden. Want als er achteraf toch sprake is van loondienst, dan kunnen opdrachtgevers naheffingen of boetes krijgen. De vraag wat partijen wilden overeenkomen moet (nog steeds) worden beoordeeld aan de hand van de bedoelingen van partijen, oftewel volgens de Haviltex-maatstaf. Dit wil zeggen dat bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst niet enkel gekeken moet worden naar de taalkundige betekenis van de tekst, maar ook naar wat partijen over en weer verklaard hebben en wat zij redelijkerwijs uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden. Het gaat om de gerechtvaardigde verwachtingen die partijen op grond van de omstandigheden van het geval over en weer mochten hebben. 

Eerder werd aangenomen dat bij de beoordeling van deze overeengekomen rechten en verplichtingen, de kwalificatie ‘is het juridisch gezien wel of geen arbeidsovereenkomst’ ook gewicht aan de bedoeling en intentie van partijen gaf. Met een recente uitspraak van de Hoge Raad komt daar nu verandering in. 

Belangrijke uitspraak

Op 6 november 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1746) heeft de Hoge Raad een belangrijke uitspraak gedaan voor partijen, onder wie zzp’ ers, die overeenkomsten met elkaar sluiten tot het verrichten van betaalde werkzaamheden. De Hoge Raad heeft in haar uitspraak verduidelijkt dat, anders dan eerder werd aangenomen, de intentie van partijen ten aanzien van het toepasselijke wettelijke regime niet van belang is. Partijen hebben niet de vrijheid om door middel van wilsovereenstemming zelf te bepalen of er wel of geen sprake van een arbeidsovereenkomst is. Als de inhoud van een overeenkomst voldoet aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst (arbeid, loon en gezagsverhouding), moet de overeenkomst worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Voor de uiteindelijke kwalificatie van de overeenkomst is dus alleen dit laatste van belang. 

Senior jurist Katrijn van Berkum en advocaat Timo van Oosterhout zijn werkzaam bij stichting VvAA Rechtsbijstand