Favoriete pil – Normale mensen

AnneLoes van Staa (Johannesburg, 1957) is lector Transities in Zorg bij het Kenniscentrum Zorginnovatie van Hogeschool Rotterdam. Haar favoriete pil: de roman Normale mensen van de Ierse schrijfster Sally Rooney.

Tekst: Frank van Kolfschooten |Beeld: De Beeldredaktie/ Peter Strelitski 

“Ik vind Normale mensen ook na herlezing een geweldig boek”, zegt AnneLoes van Staa, lector Transities in Zorg. “Het is geen zoetsappige liefdesroman, maar een invoelbaar, diepmenselijk verhaal over opgroeien, de pijn die dat doet en hoe je die kunt overwinnen. De piepjonge schrijfster Sally Rooney toont ook goed de vele misverstanden die kunnen ontstaan wanneer twee mensen van elkaar houden of elkaar willen helpen.”

Hoofdpersonen van Normale mensen zijn de rijke Marianne en de arme Connell die in een klein Iers stadje wonen. Marianne is een gevoelig en slim meisje dat om onduidelijke redenen wordt buitengesloten door haar klas en haar familie; de zachtaardige, vriendelijke Connell is juist heel populair. De twee krijgen een relatie met elkaar, maar die moet geheim blijven, want Connell wil niet met haar gezien worden. Nadat ze allebei aan de universiteit in Dublin zijn gaan studeren, vindt Marianne haar plek. Maar Connell past niet in die cultuur, krijgt een depressie en wordt uitgesloten door zijn oude vrienden. “Die omkering van perspectief is heel knap gevonden van Rooney”, vindt Van Staa. “Als lezer blijf je voortdurend meeleven met deze twee jonge mensen. Het is ook heel mooi om te zien hoe betrokken ze zijn bij elkaar en hoe de een de ander weet te steunen in moeilijke perioden.”

‘Een invoelbaar, diepmenselijk verhaal over opgroeien’

Van Staa doet al meer dan twintig jaar onderzoek naar jongeren met chronische aandoeningen, hun zorgvoorkeuren en competenties. 

“De wens om ‘normaal’ te zijn, leeft heel sterk bij jonge mensen, zeker als zij door gezondheidsproblemen moeite hebben mee te doen”, zegt Van Staa. “Zij voelen zich vaak buitengesloten en worstelen, net als Marianne, met een negatief zelfbeeld. Het is daarom belangrijk dat zij zich gezien en gehoord voelen.”

Dat heeft ook consequenties voor de opstelling van zorgprofessionals die werken met deze jongeren. “Ze willen niet gereduceerd worden tot een ziektebeeld, maar als persoon benaderd
worden”, zegt Van Staa. “Dat betekent dat zorgprofessionals de tijd moeten nemen om hun voorlichting en behandelplan af te stemmen op de jongeren zélf, en op hoe zij hun aandoening kunnen inpassen in hun dagelijks leven.”

Zorgprofessionals zoeken volgens Van Staa bij chronische patiënten nog te vaak de rol op van een ‘fixer’; iemand die voorschrijft hoe zij met hun aandoening moeten omgaan, zonder rekening te houden met iemands voorkeuren en omstandigheden. “Dat werkt contraproductief, terwijl je met een persoonlijkere, coachende aanpak wel degelijk een helende invloed kunt hebben op het leven van een patiënt.”