Nog geen tijd

Gynaecoloog/arts-seksuoloog Willem-Jan Cuypers moest tijdens een vermoeiende nachtdienst toch nog even geduld hebben voor hij eindelijk naar bed kon. Dat moment bepaalde zijn ervaren patiënt voor hem. 

Tekst: Willem-Jan Cuypers | Beeld: Marcel Leuning

 

Zo’n vijftien jaar geleden werkte ik als arts-assistent gynaecologie & verloskunde in een klein streekziekenhuis in Limburg. Er werd nauwelijks aan urenregistratie gedaan en je kon zomaar worden ingeroosterd voor twee weken nachtdienst aan één stuk.

Ergens in mijn tweede jaar als arts-assistent in zo’n nachtdienst meldde de centrale, tijdens een toch al hectische nacht, dat een ambulance met patiënt onderweg was. Niet lang daarna werd de brancard binnen gereden, met daarop een Afrikaanse dame van indrukwekkende omvang, gevolgd door de verloskundige. Zij had de patiënt enkele weken daarvoor in zorg gekregen vanuit het regionale asielzoekerscentrum. In de overdracht werd duidelijk dat patiënt 15 eerdere zwangerschappen had doorgemaakt en, naast enkele miskramen, 11 kinderen op de wereld had gezet. De verloskundige had reeds bij de verlate intake besloten dat deze multipara wellicht beter op haar plek was in het ziekenhuis, dan in het asielzoekerscentrum. Aldus geschiedde bij de eerste tekenen van de op handen zijnde bevalling: de vliezen waren zojuist gebroken.

De patiënt gaf geen blijk van veel ongemak, en op het CTG tekenden zich geen weeën af. Dit was echter weinig wonderlijk gezien de rondingen van patiënt. De verloskundige bleek reeds eerder te hebben getoucheerd (6 cm).

In het Engels vroeg ik mijn patiënt of ik haar inwendig mocht onderzoeken. Ze antwoordde in gebrekkig Nederlands: “Goed dokter… maar is nog geen tijd.” Ik toucheerde: volledige ontsluiting, vliezen niet meer te voelen, achterhoofdsligging met caput op Hodge 1.

De verloskamer werd gevuld met een luid gesnurk

Het was inmiddels 4 uur ’s nachts en ik rook het kussen van mijn dienstbed. Ik legde mijn patiënt uit dat de bevalling aanstaande was en vroeg haar mee te persen bij de volgende wee. Ze keek me vriendelijk aan, zei nogmaals “is nog geen tijd dokter” en draaide zich op haar zij, waarna de verloskamer gevuld werd met een luid gesnurk. Ik probeerde door de tonen van het luid tikkende CTG heen, de patiënt nog eens duidelijk te maken dat ze slechts een perswee of twee verwijderd was van de geboorte van haar kind. Maar haar ogen bleven stijf gesloten.

Een kwartier schitterende harttonen verder, besloot ik dat het welletjes was geweest. Ik vroeg de verpleegkundige het infuus met oxytocine aan te leggen. Zij bleek het roerend met me eens en legde haar spulletjes klaar. De stuwband werd aangelegd en met een kordate ruk werd de verpakking van de infuusnaald geopend. Een veeg alcohol over de handrug heen, even kloppen op de vaten en de naald in de aanslag… Maar nog voordat de naald de huid raakte, opende onze patiënt haar ogen, draaide zich op haar rug, keek me aan en zei: “Dokter, nú is het tijd!” Eén korte, decente kreun volgde en tussen haar benen uit klonk het geluid van een kersverse wereldburger. En over mij daalde een gevoel neer van: ach, wie ben ík nu ook eigenlijk om te bepalen wanneer het tijd is?