Villa Koningslaan – deel 5

Vorige keer:
In 2021 treft Daniëls achterkleindochter Nicole in de villa een brandkast aan waarvan ze het bestaan niet kent. In 1932 wil Noël hond Hector overnemen, maar zijn vader Daniël staat erop dat Hector wordt afgemaakt.

De Meesterhand

Adri van Beelen
Adri van Beelen
Verpleegkundige (niet-praktiserend),
(freelance) journalist,
programmamaker en auteur van de
volgende boeken:
In vrije val (2008)
Celeste (2012)
Verborgen (2013)
De vrouwenverzamelaar (2015)
De familie Duinen (2017)
Het zieke vliegtuig (2019)

De volgende dag was Noël met Hector bij de dierenarts. Samen hadden ze het dier op de behandeltafel getild. De hond had de nacht doorgebracht op de koude stenen onder het konijnenhok naast de schuur. Noël was die nacht wel vijf keer gaan kijken.

‘Zijn we niet te hard voor hem?’ had Geertruida gevraagd.
‘Voor wie? Een hond is wel wat gewend. En Noël moet leren dat je niet alles kunt hebben in het leven.’
‘We vergassen hem’, zei de dierenarts. ‘Hij zal het nauwelijks voelen. Wil je erbij blijven?’ Hij keek over zijn bril naar Noël, die met waterige ogen naast de behandeltafel stond, zijn armen om de nek van de hond, bereid om hem nooit meer los te laten.
‘Is dat echt de enige oplossing?’
‘Voor nu lijkt het daar wel op.’ De dierenarts deed zijn armen over elkaar alsof hij even een pauze nam. ‘Tenzij je een thuis voor hem vindt’, ging hij verder. ‘Je kunt hem ook laten zwerven, maar daar is de gemeente niet zo blij mee. Je hebt dan grote kans dat hij wordt gevangen en alsnog wordt afgemaakt.’
Noël staarde naar Hectors ogen en legde zijn hand op de kop van het beest.

Thuis aan de Koningslaan zaten Daniël en Geertruida zwijgend voor zich uit te staren. Op Daniëls schoot lag een nog dichtgevouwen krant.
‘Hij zal nu wel zo’n beetje dood zijn’, zei Geertruida bijna onhoorbaar.
Daniël knikte flauwtjes. ‘Konden we anders besluiten?’
‘Nou, het had natuurlijk niet gehoeven, Daniël. Je weet dat ik het er niet mee eens was. We hadden hem bij de dierenbescherming kunnen brengen. Maar omdat jij zo verdomde koppig bent, heeft die jongen hem nu naar de dierenarts moeten brengen.’

Er klonk rumoer in de hal. Daarna sloeg de voordeur dicht.

‘Daar zal je hem hebben,’ zei Geertruida. ‘Wees alsjeblieft een beetje lief voor hem, Daniël. Hij heeft zojuist afstand moeten doen van een geliefd dier.’

De kamerdeur zwaaide open en Noël stapte over de drempel. Hij stond erbij alsof hij was teruggekeerd van een lange reis. In zijn hand hield hij een provisorische riem, een touw, met aan het einde de hond Hector met het mooie krullende haar. Geertruida zuchtte opgelucht, liep naar de hond toe en aaide hem gul over zijn kop.

‘Ik kon het niet’, zei Noël zachter dan nodig was. ‘Een gezond dier doden. Ik kon het niet.’

Daniël schudde het hoofd en pakte hem grootmoedig bij de schouders.

‘Ik weet trouwens wat ik wil’, ging Noël verder. ‘Ik wil dierenarts worden. Geen mensenarts, maar dierenarts.’
‘Dan moet je naar de Veeartsenijkundige Faculteit in Utrecht’, zei Geertruida. Daniël keek zijn zoon recht in het gezicht. ‘Als dat werkelijk is wat je wilt, wie ben ik dan om je tegen te houden?’ sprak hij. ‘Ik had liever gezien dat je huisarts of specialist zou worden, dat zeg ik eerlijk. Maar als dit is wat je wilt, dan moet het maar.’

December 2021

‘Kunt u nu even bijten met de kiezen op elkaar?’ vraagt Michiel Heuvels aan de patiënt in zijn stoel.
‘En? Voelt dat goed?’

De man knikt.

‘Uitstekend. Dan zie ik u graag over een half jaar weer terug voor controle.’
‘Michiel!’ De assistente buigt zich met de telefoon in haar hand over de balie heen. ‘Ik heb je zus aan de lijn.’

Er ontsnapt hem een zucht. ‘Wat nu weer? Nou ja, geef maar.’

Zodra hij de hoorn aan zijn hoofd houdt, steekt Nicole van wal.

‘Luister: de notaris weet er dus van.’
‘Waarvan?’
‘Van die safe. Hij schijnt al in de villa te staan sinds 1935 of zo. In ieder geval stond hij er al voor de oorlog. Maar niemand weet precies wat erin zit. Opa Noël heeft dat ding nog nooit geopend. Hij moet wel geweten hebben wat erin zat, want je maakt mij niet wijs dat hij het nooit gevraagd zou hebben. Maar al zou hij iets hebben geweten, hij heeft er dus nooit iets over losgelaten.’
‘Vreemd.’
‘Ja, vreemd. Dus ik zei tegen de notaris dat we hem dan maar moesten openen. Maar nu komt het! Dat kán dus helemaal niet volgens hem.’
‘Waarom niet?’
‘Onze overgrootvader heeft laten beschrijven dat het ding niet eerder open mag dan op 10 april 2034.’
‘Waarom 2034?’
‘Ik vermoed dat die datum ad random is gekozen. Of heeft hij een speciale betekenis?’
‘Bij mijn weten niet.’
‘Nee, ik zou het ook niet weten. Dus ik vroeg of het niet eerder kon omdat we nu de boel toch moeten uitzoeken vanwege opa’s overlijden, maar dat kan dus niet. De notaris houdt zich aan overgrootvaders wens.’
‘Tja’, zegt Michiel peinzend. ‘Dan moeten we hem openbreken, misschien. Met een speciale brander, zoals in die films.’
‘Je maakt een geintje, hoop ik.’

De assistente gebaart dat de volgende patiënt zich aandient. Michiel gebaart terug.

‘We hebben het er nog over’, zegt hij snel.

In het najaar van 1938 kwam Daniël in contact met de Antwerpse commissionair Matthieu Peeters. De twee mannen waren door Daniëls schoonzus Mathilde in Antwerpen aan elkaar voorgesteld. Peeters beschikte over een zeldzaam stadsgezicht van Jan van Goyen, een tamelijk onbekend werk van deze Leidse landschapsschilder. Daniël kocht het werkje voor het lage bedrag van 250 gulden.

‘Is hij een betrouwbare commissionair?’ vroeg Geertruida toen Daniël met het schilderstuk thuiskwam. ‘Er stond laatst in de krant dat iemand was opgelicht en voor veel geld een paar prullen van zo’n vent had gekocht.’
‘Ik herken de meesterhand van Van Goyen uit duizenden’, antwoordde Daniël.

Er was nog iets anders gebeurd in Antwerpen. Peeters had Daniël uitgenodigd voor een etentje in een klassiek Vlaams restaurant op de Keyserlei. Ze bestelden ossenlapjes, postelein, aardappeltjes, sneeuwpudding en fruit. Daarbij dronken ze zowel rode als witte wijn. Peeters bestelde ook paupiette, onthoofde vogels, oftewel gehakt varkens- en rundvlees gekookt in Madeira. Hij beval het Daniël aan, maar deze bedankte ervoor.

‘Ik hoorde van uw schoonzus dat u sinds kort beschikt over een grote brandkast’, zei Peeters quasi terloops terwijl hij wat aardappeltjes opschepte. Er glinsterde wat peterselie doorheen. Daniël knikte. ‘Er was bijna bij me ingebroken. Dat gespuis kan via de parkzijde mijn huis tamelijk gemakkelijk bereiken om vervolgens binnen te dringen. Het is ze goddank niet helemaal gelukt, maar we zagen wel duidelijk dat het slot van de tuindeur geforceerd was. Ik heb meteen goede sloten laten aanbrengen en een brandkast aangeschaft. Het is een grote brandkast waar je ook schilderijen van gemiddelde afmetingen in kunt onderbrengen. Ik doe dat met sommige werken wanneer wij voor langere tijd van huis gaan.’

‘Heel verstandig’, antwoordde Peeters terwijl hij een stuk van de paupiette op zijn bord afsneed.
‘Meneer Heuvels, ik heb een heel gekke vraag’, zei hij, ‘maar mag ik u om een gunst vragen?’

Daniël vouwde zijn servet uit en legde deze op zijn schoot.

‘Gaat uw gang, meneer Peeters. Ik luister.’

Volgende maand:

Wat wil de commissionair van Daniël?