Villa Koningslaan – Deel 9

Eerder:
Noël Heuvels heeft vlak voor de oorlog verkering gekregen met de Joodse verpleegster Marah Zeelander. In 2022 ontdekken zijn kleinkinderen, Nicole en Michiel, dat de code van de brandkast in de Amsterdamse villa, afgeleid kan worden van een datum in het verleden.

De jodenster

Amsterdam 1942

Eind april 1942 was Noël weer thuis gaan wonen. De oorlog maakte het steeds moeilijker om fatsoenlijk colleges te volgen. Marah had twee jaar eerder ontslag genomen in Utrecht en was in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam gaan werken. Ze woonde nu ook thuis bij haar ouders en kwam regelmatig bij de Heuvelsen eten. Bij een van die maaltijden vroeg Geertruida: ‘Ik hoorde dat het vanaf volgende week verplicht wordt de Jodenster te dragen. Moet je daar in het ziekenhuis nou ook mee gaan rondlopen?

‘Hè mama, wat een vraag’, zei Noël terwijl hij Hector onder de tafel een stukje vlees gaf.
‘Nee, dat is een heel goede vraag’, antwoordde Marah. ‘Maar ik zou het antwoord niet precies weten. Ik ben vorige week gestopt met werken in het ziekenhuis.’
‘Wat spijtig’, zei Geertruida. ‘Mag ik vragen waarom?’
‘Ik mag er niet meer werken. Er zijn veel patiënten die niet door Joden behandeld en verpleegd willen worden.’
‘Bespottelijk’, zei Noël.
‘De waanzin van het antisemitisme’, mompelde Daniël.
‘We zouden eigenlijk moeten onderduiken’, zei Marah. ‘Maar mijn ouders hopen dat het allemaal overwaait. Dat ze ons met rust laten.’

‘Er zijn veel patiënten die niet door Joden behandeld en verpleegd willen worden’

Amsterdam 2022

‘Er gebeurde veel op 10 april 1934’, zegt Nicole tegen Michiel aan de telefoon. Het is een week na hun bezoek met tante Diana aan de villa. Nicole speurt online in enkele krantenarchieven.

‘Er is een ontwapeningsconferentie in Griekenland, een communistische actie op Cuba, een brand in een boerderij in Rolde, en… de burgemeester van Eysden heeft een elfjarige jongen doodgereden. Ik noem maar wat dingen uit de krant. O ja, en hier: ‘Altaarstuk ontvreemd’. Dat gaat over de diefstal van enkele panelen van de Aanbidding van het Lam Gods van de gebroeders van Eyck, een triptiek uit 1432 in de Sint-Baafskathedraal in Gent. Nou, en verder wordt in Spanje de doodstraf opnieuw ingevoerd en maakt Japan bekend dat het bij de Volkenbond terug wil keren.’

‘Wat moeten we met al dat nieuws?’ zegt Michiel. ‘Ik zie geen link met de kluis. Jij?’
‘Nee, ik ook niet’, zucht Nicole.
‘Of die panelen moeten in de kluis zitten’, gaat Michiel grinnikend verder. ‘Maar ik zie onze overgrootvader niet zo gauw naar Gent gaan om een stuk van een schilderij te stelen. Laat staan dat hij het in de villa in Amsterdam onderbrengt.’
‘Nee, ik ook niet’, mijmert Nicole. ‘Hoewel een van die panelen nooit meer boven water is gekomen en dus tot op de dag van vandaag zoek blijft.’

Het is even stil aan de andere kant van de lijn.

‘Nicole, je denkt toch niet…?’
‘Nee, niet echt. Maar dat paneel is wel in de nacht van 10 op 11 april 1934 gestolen. Dat zou een link kunnen zijn met 10 april 2034. Het zal wel onzin zijn hoor, maar je kunt nooit weten.’
‘We moeten de kluis openen, dan weten we het.’
‘Inderdaad. Zou de cijfercode ook iets te maken hebben met die datum? 10434? 10042034? 1041934? 19340410?
‘We kunnen het proberen.’

Amsterdam 1943

In mei 1943 was Noël op weg naar de Jodenbreestraat. ‘Kom me morgen maar ophalen’, had Marah de vorige dag geroepen toen ze op haar fiets sprong en richting binnenstad koerste. Noël was de volgende dag gaan lopen en ging via de speciale doorgang op de Nieuwmarkt de nu afgesloten Joodse wijk in. Hij liep via de Sint Antoniebreestraat en zag in de verte het begin van de Jodenbreestraat. Hij herinnerde zich hoe twee jaar eerder een groep meisjes van de jeugdstorm, begeleid door bewapende Duitse soldaten, met hakbijlen de ruiten van Joodse winkels insloegen. Overal in de straat had glas gelegen.

Toen hij de Jodenbreestraat inliep zag hij plots een klein opstootje. Mensen liepen verdwaasd heen en weer, sommige met koffers. Vreemde mannen banjerden de huizen in en uit. De voordeur van de familie Zeelander stond wijd open. Een Duitse soldaat kwam met een stapel paperassen naar buiten. Hij werd gevolgd door een andere soldaat met spullen in zijn handen. Noël stopte, schoot de Uilenburgersteeg in en ging van een afstandje staan kijken of hij Marah zag. Een overbuurman die hem herkende kwam op hem aflopen. Zo nonchalant mogelijk sprak hij hem aan. ‘As je je meisie zoekt; ze is met de familie weggevoerd’, mompelde hij. Hij stak een sigaret op en bood Noël er een aan. 

‘Waar naartoe?’ 
‘Volgens mijn zuster naar de Hollandsche Schouwburg.’ Hij schudde het hoofd. ‘As je ziet hoe ze behandeld worden. Nog slechter dan een beest.’

Noël sloeg de handen voor zijn ogen. Hier was hij steeds bang voor geweest. Regelmatig had hij tegen Marah’s vader gezegd dat ze moesten onderduiken. Maar de man antwoordde dat ze hen vast zouden overslaan. ‘Ik heb niets verkeerds gedaan’, zei hij telkens.

Noël maakte zijn sigaret uit en begon in de richting van de Portugese synagoge en de Plantage Middenlaan te lopen. Hij moest zien waar ze Marah naar toe hadden gebracht. Als hij wist waar ze was en hoe ze eraan toe was, kon hij misschien iets doen om haar vrij te krijgen. Dan kon hij iets verzinnen. Op de Plantage Middenlaan zag hij vanuit de verte de drukte rond de Hollandsche Schouwburg al. Hij liep snel in de richting van het rumoer maar werd ter hoogte van het statige pand op nummer 20 door twee Duitse soldaten staande gehouden. Ze hadden blaffende honden bij zich. ‘Zurückgehen’, riep de eerste, een kleine met een glad gezicht. ‘Herumlaufen’ voegde de tweede eraan toe. Hij draaide wat met zijn wijsvinger in de lucht. 

‘Herumlaufen!’ De soldaat pakte het geweer van zijn schouder om de woorden kracht bij te zetten

Noël trachtte vriendelijk te lachen. ‘Aber meine Freundin’, probeerde hij nog, maar de tweede soldaat pakte het geweer van zijn schouder om zijn woorden kracht bij te zetten. Er was helaas geen doorkomen aan en Noël draaide zich om. Hij probeerde het via de Plantage Kerklaan, maar ook daar werd de weg versperd door soldaten en enkele kleine vrachtauto’s. Hij stond stil en zag in dat het geen zin had.

Geertruida sloeg haar hand voor de mond nadat hij het thuis verteld had. 
‘Ze wordt samen met haar familie en anderen op transport gesteld naar Duitsland’, zei Noël.
Geertruida knikte. ‘Ja, maar dat dient alleen tot voorbeeld. Ze willen de Joden als het ware heropvoeden via de werkverruiming. Maar we mogen de hoop niet verliezen. Laat het toch in godsnaam allemaal goed aflopen.’
‘Ja’, zei Daniël, ‘en waarom zou het niet goed aflopen? Daarom moeten we rustig blijven. Iedereen moet zich gewoon gedeisd houden. Ik heb genoeg gehoord over hoe zaken kunnen ontsporen als je je niet gedeisd houdt. Niemand wil dat dit eindigt in een nachtmerrie. Voor je het weet sturen ze je naar
Mauthausen.’
‘Je weet toch dat er verhalen rondgaan dat ze sowieso vermoord worden, waar ze ook terechtkomen?’, zei Noël. Hij was zijn ouders sinds zijn studie gaan tutoyeren.
‘Ach, daar geloof ik niks van’, zei Daniël op onzekere toon.
‘Geloven of niet, papa, ik vind dat we het zekere voor het onzekere moeten nemen. Jij hebt patiënten in de Joodsche Raad. Cohen of Kisch? Dat zijn toch patiënten van je? Kunnen zij geen goed woordje doen om Marah en haar familie vrij te krijgen?’

Daniël fronste zijn wenkbrauwen en zweeg.

Volgende maand:
Krijgt Noël zijn Marah te zien?

Plaats een reactie

Uw e-mailadres zal nooit gepubliceerd of gedeeld worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*
*