Villa Koningslaan – deel 6

Eerder:
Noël maakt kenbaar dat hij dierenarts wil worden. Commissionair Matthieu Peeters vraagt Daniël om een gunst. In 2022 vragen nazaten Michiel en Nicole Heuvels zich af wat er in de brandkast van de villa zit.

Vlijmscherpe scalpels

Adri van Beelen
Adri van Beelen
Verpleegkundige (niet-praktiserend),
(freelance) journalist,
programmamaker en auteur van de
volgende boeken:
In vrije val (2008)
Celeste (2012)
Verborgen (2013)
De vrouwenverzamelaar (2015)
De familie Duinen (2017)
Het zieke vliegtuig (2019)

Antwerpen 1938
‘Ik wil u vragen of ik een werk tijdelijk bij u kan onderbrengen’, vroeg Peeters. ‘Het gaat om een onbekend doch duur schilderij dat is besteld door een liefhebber uit Amerika. Hij heeft echter nog niet aanbetaald, en dat wil ik graag eerst afwachten alvorens we het kunstwerk gaan verschepen. Tot die tijd moet ik het schilderij ergens onderbrengen. Het is een bijzonder stuk, maar ik kan u niet zeggen wat het is of van wie het is. Daarvoor is het te kostbaar.’
Hij keek om zich heen.
‘Als we het tijdelijk overbrengen naar Amsterdam, is het voorlopig veilig. U zou mij daar een enorme dienst mee bewijzen.’
Daniëls mond zakte een beetje open. ‘Kunt u me niet zeggen wat het is?’ vroeg hij. 
Peeters perste de lippen op elkaar.
‘Helaas. Dat moet geheim blijven. Puur voor de veiligheid, hoor.’
‘Maar bij mij is het toch minder veilig dan in een veilinghuis of in de kluis van een bank?’ zei Daniël.
Peeters schudde het hoofd. ‘Nee, nee, dat ligt allemaal te veel voor de hand. Daarentegen komt niemand erop dat het stuk zich bevindt in een huis in Amsterdam. Ik ben de enige die het weet.’ 
Hij slikte het laatste stukje vlees door. 
‘En kijk, u hoeft het niet voor niets te doen. Nee, zeker niet. Laat ik u maar meteen vertellen dat ik u graag een prachtig strandgezicht van Jozef Israëls erbij cadeau doe. Wilt u nog wijn?’
Daniël knikte. Een Jozef Israëls was niet mis. Het enige wat hij daarvoor hoefde te doen was het bewaren van een onbekend schilderij in zijn eigen brandkast. 
‘En hoe zit het met de verzekering?’ vroeg hij.
‘Geen zorgen’, antwoordde Peeters. ‘Het is allemaal prima afgedekt. Ik zal u de nodige papieren straks laten zien. En? Doet u het?’
Daniël glimlachte en stak hem de hand toe.

Exact twee weken later arriveerde een bestelwagen met een Belgisch kenteken in de Koningslaan. ‘Maison La Comtesse, voor al uw meubels’ stond in sierlijke letters op de zijkant geschreven.
‘Meneer Heuvels, ik kom uwe bestelling brengen,’ riep de chauffeur, een gedrongen man met een doorgroefd gelaat. Daniël keek naar het grote vierkante pak dat de man uitlaadde.  Hij vroeg zich af of het in deze vorm wel in de brandkast paste. Op een wit etiket stond voor wie het uiteindelijk bestemd was:
George Wilkinson, (620) 368-7458 52 Beacon St #36, Boston, Massachusetts (MA), 02215, Unites States of America.

‘Het enige wat hij moest doen, was een schilderij bewaren in zijn brandkast’

Amsterdam, januari 2022
Michiel en Nicole Heuvels staan in de schilderijenkamer van de villa en staren naar de safe. 
‘Niemand kan ons verbieden dat ding open te maken’, zegt Nicole. ‘En dat we nog twaalf jaar moeten wachten is ook bezopen. Wie controleert dat? Welke sancties kunnen ze ons opleggen?’
‘Jij weet dat beter dan ik’, zegt Michiel. ‘Jij hebt de notaris gesproken. Weet tante Diana trouwens de code niet?’
‘Tante Diana begint een beetje door te lopen. Ze zegt overal ja op, maar weet soms helemaal niet waar het over gaat.’
‘Dan moeten we haar hiermee confronteren. Misschien gaan er dan wel luikjes in haar geheugen open.’
Nicole loopt naar het raam en staart naar de bomen in het park.
‘Ik meen het, Nicole. Misschien is confrontatie de beste tactiek. Dan herinnert ze zich opeens de code van het cijferslot of ze weet op z’n minst waar we die kunnen vinden. Ik heb gezocht in papieren van vroeger, maar er is nergens iets over te lezen.’
Nicole draait zich om. ‘Oké’, zegt ze. ‘We gaan eerst naar tante Diana. Misschien weet zij meer.’

Utrecht, november 1939
Met de Duitse inval in Polen is de Tweede Wereldoorlog uitgebroken. Nederland is nog niet bezet.
Het was ijzig koud toen Noël Heuvels de afdeling eerste hulp van het Academisch Ziekenhuis op de Catharijnesingel in Utrecht opliep. Hij werd ondersteund door een studiegenoot en om zijn linkerhand zat een flinke dot verband waarin bloed was doorgelekt. Een verpleegster leidde hem naar de wachtkamer, maar hij zat nauwelijks of werd al bij de arts in de behandelkamer geroepen. De zuster wikkelde het verband af en de medicus bekeek het gewonde lichaamsdeel. 
‘Zo, dat is een flinke jaap’, zei hij. ‘Eerst maar eens goed ontsmetten. Opgelopen in de snijzaal van het anatomisch theater, zei je? Tja, het is de bedoeling dat je in de kadavers snijdt en niet in jezelf.’
Noël probeerde te lachen maar dat lukte niet echt. 
‘Ik schoot uit en die scalpels zijn vlijmscherp’, zei hij.
‘Ja, zeg dat. We zullen het repareren. Ik zal je anti-tetanus serum toedienen. En in het geval van een bacteriële infectie kan ik prontosil voorschrijven. Of nee, ik doe het gewoon profylactisch. Het is spijtig dat de penicilline nog niet op de markt is. Het lijkt me nu gelukkig ook nog niet nodig hoor, maar ik heb er veel hoopvolle verhalen over gehoord. Goed, we gaan hechten.’

Een klein half uur later liep Noël met zijn hand in het verband door de gang naar de uitgang. De tegels op de vloer waren op kunstige wijze in speciale vormen aangebracht. De bruinbeige tint kleurde stijlvol bij de kozijnen van ramen en deuren. Naast Noël liep de verpleegster, die hem enigszins ondersteunde. Ze droeg een smetteloos wit schort en een kapje.‘Misschien moet je eerst nog even gaan zitten voordat je naar huis gaat’, zei ze. Ze wees op een stoeltje bij de hoofdingang. Zonder iets te zeggen deed hij wat ze hem gezegd had. Ze kwam naast hem zitten en ze keken elkaar aan. Ze had donkere ogen en een gave huid. Vermoedelijk was ze iets ouder dan hij. Op haar uniform prijkte een naambordje. Onder de woorden Academisch Ziekenhuis Utrecht las hij:
Zr. M. Zeelander.
‘Ik woon in Wittevrouwen’, zei hij.
‘Aha, bij het Ooglijdersgasthuis in de buurt. Wacht er iemand op je? Degene die je gebracht heeft, waar is die nu?’
‘Die heb ik naar huis gestuurd.’
‘Ik durf je niet alleen naar huis te laten gaan. Nog niet. Kan ik iemand waarschuwen?’
Noël haalde zijn schouders op. ‘Kun jij me anders niet naar huis brengen?’
Ze glimlachte. Vanaf het einde van de gang klonk geroezemoes.

Het kan snel gaan. De volgende ochtend was het opmerkelijk helder weer. Door de gordijnen van de studentenkamer viel het spaarzame licht van de winterzon die net boven de huizen aan de overkant uitkwam. Noël draaide zich voorzichtig op zijn rug. Toen hij naar links keek werd zijn blik vastgepind op de contouren van zijn bedgenote. Zacht drukte hij zijn lippen op de huid van haar rug. Zijn hand gleed van haar zij naar de onderkant van haar borsten, haar navel en daarna schuin omlaag over haar heupen naar haar dijen. Hij drukte zijn neus in haar donkere lokken. Vaag rook hij de geur van bloeiende hazelaars, zoals hij die altijd in het vroege voorjaar in het Vondelpark rook, vermengd met de odeur die hij niet anders kon omschrijven dan ‘bouquet van vrouw’. Ze draaide haar gezicht naar hem toe en op haar lippen verscheen glimlach. 
‘Hoe is het met je hand?’ vroeg ze zacht. 
Hij concentreerde zich op het gewonde lichaamsdeel en voelde het onaangename kloppen van de wond.

Volgende maand:
De vrouw in Noëls bed en tante Diana.

Plaats een reactie

Uw e-mailadres zal nooit gepubliceerd of gedeeld worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*
*